Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
Inleiding
.Met het bestreden besluit van 31 januari 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om zijn WIA-uitkering per 7 januari 2023 te beëindigen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank beoordeelt of deze vaststelling juist is, mede aan de hand van medische rapporten en de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De medische beoordeling door een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van het UWV is zorgvuldig uitgevoerd, inclusief psychisch en lichamelijk onderzoek. De verzekeringsarts b&b heeft de FML aangepast op basis van aanvullende medische informatie, maar concludeert dat er geen aanleiding is voor een verdere urenbeperking dan ongeveer 8 uur per dag en 40 uur per week. De rechtbank oordeelt dat de onderzoeken voldoende aandacht hebben besteed aan de complexe psychische problematiek van eiser.
De arbeidsdeskundige b&b heeft functies geselecteerd die passen binnen de vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank volgt het standpunt dat bij de vaststelling van arbeidsongeschiktheid geen rekening wordt gehouden met de kans op daadwerkelijke werkhervatting. De berekening van het UWV leidt tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 0%, onder de 35% grens voor recht op WIA-uitkering.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 7 januari 2023. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de WIA-uitkering per 7 januari 2023 terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.