ECLI:NL:RBZWB:2025:4247

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juli 2025
Publicatiedatum
4 juli 2025
Zaaknummer
24/5821
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.4 Wet open overheidArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op Woo-verzoek met oplegging dwangsom

Eiser heeft op 10 juni 2024 een verzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo) bij de staatssecretaris van Financiën, met betrekking tot het voorkomen van een organisatie in CAF11. De staatssecretaris heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken een besluit genomen. Eiser heeft vervolgens op 6 augustus 2024 een ingebrekestelling gestuurd. Omdat de staatssecretaris na deze ingebrekestelling nog steeds niet heeft beslist, heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en stelt vast dat de staatssecretaris in strijd met artikel 4.4, eerste lid, van de Woo niet binnen vier weken heeft beslist. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de staatssecretaris opgedragen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak alsnog te beslissen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De staatssecretaris moet ook het griffierecht van € 187,- aan eiser vergoeden. Het beroep wordt verklaard gegrond, het niet tijdig genomen besluit wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt opgedragen alsnog een besluit te nemen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een dwangsom op en draagt de staatssecretaris op binnen vier weken alsnog te beslissen op het Woo-verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5821

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser
en

de Staatssecretaris van Financiën, de staatssecretaris.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de staatssecretaris volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn Woo-verzoek van 10 juni 2024. Dit verzoek ziet op het voorkomen van [organisatie] in CAF11.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft zijn Woo-verzoek op 10 juni 2024 ingediend. De staatssecretaris moet uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen, beslissen op de aanvraag. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Wet open overheid. De staatssecretaris had dus uiterlijk op 8 juli 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen de staatssecretaris moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft de staatssecretaris vervolgens bij brief van 6 augustus 2024 in gebreke gesteld.
Welke beslistermijn moet aan de staatssecretaris worden opgelegd?
4. Omdat de staatssecretaris nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de staatssecretaris dit doen binnen vier weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan de staatssecretaris opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de staatssecretaris de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de staatssecretaris de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7. Omdat het beroep gegrond is moet de staatssecretaris het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de staatssecretaris op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op het Woo-verzoek van eiser bekend te maken;
- bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 7 juli 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.