ECLI:NL:RBZWB:2025:4279
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank wijzigt kostenvergoeding bezwaarfase wegens schending ne bis in idem-beginsel
Belanghebbende diende aangifte omzetbelasting in voor het derde kwartaal van 2022. Na een naheffingsaanslag en boetebeschikking wegens niet betalen, die later werden verminderd tot nihil, volgde een nieuwe boetebeschikking wegens niet tijdig betalen. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze boete, dat gegrond werd verklaard en de boete werd vernietigd. De inspecteur kende een forfaitaire kostenvergoeding toe, maar wees een integrale proceskostenvergoeding af.
Belanghebbende stelde beroep in tegen de hoogte van de kostenvergoeding. De rechtbank oordeelde dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase te laag was vastgesteld, omdat de inspecteur onrechtmatig een tweede boete oplegde, wat een schending van het ne bis in idem-beginsel inhoudt. Hierdoor was belanghebbende genoodzaakt bezwaar te maken en had recht op een hogere vergoeding.
De rechtbank stelde de kostenvergoeding vast op €1.700, boven de forfaitaire vergoeding, en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat de hoofdzaak was beslecht. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten voor de beroepsfase. De rechtbank zag geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding.
De uitspraak werd gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink op 8 juli 2025 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De rechtbank verhoogt de kostenvergoeding voor de bezwaarfase naar €1.700 en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.