ECLI:NL:RBZWB:2025:4312

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juni 2025
Publicatiedatum
9 juli 2025
Zaaknummer
10719095 MB VERZ 23-473
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 6 EVRMArt. 8 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete wegens parkeren in strijd met bordaanduiding

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor parkeren op een parkeergelegenheid op een wijze die niet overeenkomt met de aanduiding op het bord, vastgesteld op 1 juni 2023 om 21:29 uur. Betrokkene stelde dat de boete aan de verkeerde persoon was opgelegd omdat het voertuig was verhuurd aan een derde ten tijde van de overtreding. De rechtbank oordeelt dat de gedraging vaststaat en dat de boete terecht aan de kentekenhouder is opgelegd, omdat de huurovereenkomst eindigde vóór de overtreding.

De rechtbank constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak is overschreden, aangezien de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Op grond hiervan wordt de boete met 25% gematigd. Tevens wordt het teveel betaalde bedrag aan zekerheidstelling terugbetaald.

Daarnaast kent de rechtbank een proceskostenvergoeding toe aan betrokkene, berekend op basis van de kosten van de kantonrechterfase en de mate van matiging. De beslissing van de officier van justitie wordt gewijzigd en de boete wordt vastgesteld op € 82,50 plus administratiekosten. Betrokkene en zijn gemachtigde waren niet aanwezig bij de zitting.

Uitkomst: De boete wordt met 25% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten worden vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 10719095 \ MB VERZ 23-473
CJIB-nummer: 2062 5422 5871 1111
uitspraakdatum: 13 juni 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 13 juni 2025. Namens de officier van justitie is verschenen [naam] (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: parkeren op parkeergelegenheid op andere wijze dan op (onder)bord is aangegeven op de Verlaatstraat te Breda op 1 juni 2023 om 21:29 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat aanspraak gemaakt kan worden op artikel 8 sub b Wahv Pro. Een huurovereenkomst is met het beroepschrift meegezonden. De laatste huurder voordat de beschikking was opgelegd, dient als huurder te worden aangemerkt en dient de beschikking opgelegd te krijgen. Gemachtigde verzoekt een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het dossier bevat een huurovereenkomst waaruit blijkt dat het voertuig tot 08:15 uur verhuurd was, terwijl de gedraging om 21:29 uur plaatsvond. Daardoor staat niet vast dat het voertuig verhuurd was ten tijde van de gedraging. Wel is de redelijke termijn overschreden, waardoor de boete met 25% gematigd dient te worden.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant en de foto’s - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De gedraging is door gemachtigde ook niet betwist.
Op grond van artikel 5 Wahv Pro wordt, als niet direct kan worden vastgesteld wie de bestuurder is, de boete opgelegd aan de kentekenhouder. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder b, Wahv is dat anders indien de kentekenhouder een schriftelijke bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst van ten hoogste drie maanden overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het voertuig was.
Onder "ten tijde van de gedraging" moet worden verstaan "ten tijde van de vaststelling van de gedraging" (zie ECLI:NL:GHARL:2022:11123). Vast staat dat de gedraging is vastgesteld na het einde van de huurperiode zoals die blijkt uit het in eerste instantie overgelegde ritbewijs. Het beroep op artikel 8 Wahv Pro faalt derhalve.
De boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskostenvergoeding
Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter. Daarbij wordt de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast, nu de matiging uitsluitend het gevolg is van overschrijding van de redelijke termijn (zie ECLI:NL:HR:2023:1526). De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 907,- =
€ 226,75
totaal € 226,75

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 82,50, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 27,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 226,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2025.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: