Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 7 april 2023 in Breda. Betrokkene stelde dat de boete onredelijk was omdat zij niet staande was gehouden maar aangesproken tijdens het pinnen, wat zij procedureel onjuist vond. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat op basis van de verklaring van de verbalisant, die voldoende grondslag biedt in zaken op grond van de Wahv. Er waren geen specifieke feiten of omstandigheden aangevoerd die twijfel aan deze verklaring rechtvaardigen. De boete was dus terecht opgelegd.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, aangezien de procedure langer dan twee jaar duurde vanaf het opleggen van de boete op 7 april 2023 tot de uitspraak op 29 april 2025. Daarom werd de boete met 25% gematigd. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen aan betrokkene.
De kantonrechter verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond, matigde de boete tot €112,50 plus administratiekosten en beval terugbetaling van €37,50 aan betrokkene. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter M.A.V. van Aardenne en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.