ECLI:NL:RBZWB:2025:4696
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering bestuurlijke boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een beroepsprocedure van een onderneming tegen een door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgelegde bestuurlijke boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
De minister had een boete van €13.500,= opgelegd voor het laten verrichten van arbeid door twee vreemdelingen zonder de vereiste tewerkstellingsvergunningen en het niet naleven van administratieve verplichtingen. De onderneming betwistte de hoogte van de boete en voerde onder meer aan dat sprake was van normale verwijtbaarheid in plaats van grove schuld, dat het boetebesluit te laat was genomen en dat cumulatie van boetes onterecht was.
De rechtbank oordeelt dat de minister bevoegd was tot het opleggen van de boete en dat de overtredingen terecht zijn vastgesteld. Wel is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake zou zijn van grove schuld, waardoor de boete voor de overtreding van artikel 2 Wav Pro te hoog is vastgesteld. Verder is overschrijding van de beslistermijn een termijn van orde en leidt niet tot matiging. Ook is cumulatie van boetes geoorloofd gezien het doel van de Wav.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en stelt zelf de boete vast op €9.500,=. Tevens veroordeelt zij de minister tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het boetebesluit en stelt de boete vast op €9.500,= met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.