Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:4804

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
24 juli 2025
Zaaknummer
25-016653
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 WVW 1994Art. 159 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op klaagschrift tegen niet tijdige beslissing invordering rijbewijs

Belanghebbende heeft op 31 mei 2025 zijn rijbewijs aan de politie overhandigd na een vordering tot invordering. De officier van justitie is verplicht binnen tien dagen na de dag van invordering een beslissing te nemen over het al dan niet teruggeven van het rijbewijs. In deze zaak heeft de officier van justitie deze termijn niet in acht genomen, aangezien de beslissing pas op 11 juni 2025 aan belanghebbende is medegedeeld, wat buiten de wettelijke termijn valt.

De rechtbank stelt vast dat de feitelijke invordering heeft plaatsgevonden op 31 mei 2025 en dat het niet relevant is dat het rijbewijs pas op 6 juni 2025 door de officier van justitie is ontvangen. De wettelijke termijn begint namelijk te lopen vanaf het moment van invordering door de politie. De officier van justitie heeft niet tijdig gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om het rijbewijs onder zich te houden.

Op grond van artikel 164, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994 moet het rijbewijs onverwijld worden teruggegeven indien de officier van justitie niet binnen de termijn beslist. De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en beveelt de teruggave van het rijbewijs aan belanghebbende. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de teruggave van het ingevorderde rijbewijs aan belanghebbende wegens niet tijdige beslissing van de officier van justitie.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02/173834-25
raadkamernummer: 25-016653
datum : 23 juli 2025
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) van:
[belanghebbende] ,
geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), wonende op het adres [woonadres] , ingeschreven [adres]
hierna te noemen: belanghebbende.

1.Procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
• het klaagschrift, ingekomen op 17 juni 2025;
• het proces-verbaal van de politie;
• de ongedateerde beslissing van de officier van justitie het rijbewijs in te houden tot 29 augustus 2025;
• de brief van de officier van justitie van 11 juni 2025 aan belanghebbende waarin hij in kennis wordt gesteld van de inhoudingstermijn van zijn rijbewijs.
De rechtbank heeft het klaagschrift behandeld in de openbare raadkamer van 23 juli 2025. Daar zijn de officier van justitie, belanghebbende en de raadsvrouw gehoord.

2.Beoordeling

Blijkens het proces-verbaal van invordering is het rijbewijs van belanghebbende op 31 mei 2025 ingevorderd. In raadkamer heeft belanghebbende bevestigd dat hij op 31 mei zijn rijbewijs daadwerkelijk heeft overhandigd aan de politie. Ook in de inhoudingsbeslissing van de officier van justitie wordt 31 mei 2025 als ingangsdatum van invordering genoemd.
Artikel 164 WVW Pro 1994, luidt, voor zover voor hier van belang:
'·1. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs (... )
4. De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de stratbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die stratbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken.
(...)
6. Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij de ingevorderde bewijzen onverwijld terug aan de houder.(... )"
Anders dan de officier van justitie heeft betoogd is van 'invordering' als bedoeld in artikel 164 lid 6 WVW Pro 1994 sprake wanneer het rijbewijs naar aanleiding van een vordering tot overgifte als bedoeld in artikel 164 lid 1 WVW Pro 1994 door de in die bepaling genoemde personen (waaronder - voor zover hier van belang - politieambtenaren) of het Openbaar Ministerie daadwerkelijk is ontvangen (vgl. Hoge Raad 30 november 2021, ECLl:NL:HR:2021:1792). Dat het rijbewijs door de officier van justitie pas op 6 juni 2025 is ontvangen, is in deze zaak niet van belang, omdat immers vaststaat dat het rijbewijs door de politie op 31 mei 2025 is ontvangen.
De rechtbank kan niet vaststellen dat de officier van justitie tijdig gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 164 lid 4 WVW Pro 1994 het rijbewijs onder zich te houden. Zijn beslissing daartoe is immers niet gedateerd en de kennisgeving van die beslissing is van 11 juni 2025 en valt derhalve buiten de tiendagentermijn. De rechtbank zal het klaagschrift dan ook gegrond verklaren en bevelen dat het rijbewijs aan belanghebbende moet worden teruggegeven.

3.Beslissing

De rechtbank:
verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van het ingevorderde rijbewijs aan belanghebbende.
Deze beslissing is genomen door mr. J.C.A.M. Los,
in tegenwoordigheid van J.P.E. Jacet,
en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025.
rechter, griffier,
Tegen deze beslissing kan door belanghebbende binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing en door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.