ECLI:NL:RBZWB:2025:4804
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Beslissing op klaagschrift tegen niet tijdige beslissing invordering rijbewijs
Belanghebbende heeft op 31 mei 2025 zijn rijbewijs aan de politie overhandigd na een vordering tot invordering. De officier van justitie is verplicht binnen tien dagen na de dag van invordering een beslissing te nemen over het al dan niet teruggeven van het rijbewijs. In deze zaak heeft de officier van justitie deze termijn niet in acht genomen, aangezien de beslissing pas op 11 juni 2025 aan belanghebbende is medegedeeld, wat buiten de wettelijke termijn valt.
De rechtbank stelt vast dat de feitelijke invordering heeft plaatsgevonden op 31 mei 2025 en dat het niet relevant is dat het rijbewijs pas op 6 juni 2025 door de officier van justitie is ontvangen. De wettelijke termijn begint namelijk te lopen vanaf het moment van invordering door de politie. De officier van justitie heeft niet tijdig gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om het rijbewijs onder zich te houden.
Op grond van artikel 164, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994 moet het rijbewijs onverwijld worden teruggegeven indien de officier van justitie niet binnen de termijn beslist. De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en beveelt de teruggave van het rijbewijs aan belanghebbende. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de teruggave van het ingevorderde rijbewijs aan belanghebbende wegens niet tijdige beslissing van de officier van justitie.