ECLI:NL:RBZWB:2025:4886

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
02-174729-21
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de PIJ-maatregel met negen maanden voor een minderjarige veroordeelde met ernstige gedragsproblemen

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 juli 2025 uitspraak gedaan over de verlenging van de PIJ-maatregel voor een minderjarige veroordeelde, geboren in 2002. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie om de PIJ-maatregel met negen maanden te verlengen, toegewezen. De PIJ-maatregel was oorspronkelijk opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de veroordeelde nog steeds kampt met een gebrekkige ontwikkeling van geestvermogens, waaronder ernstige ADHD en antisociale trekken, en dat er een verhoogd recidiverisico bestaat. De jeugdinrichting heeft geadviseerd om de maatregel te verlengen, omdat de veroordeelde nog niet voldoende grip heeft op zijn emoties en gedrag. Tijdens de zitting is gebleken dat de veroordeelde enige vooruitgang heeft geboekt, maar dat er nog steeds risico's zijn verbonden aan zijn gedrag. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de verlenging van de PIJ-maatregel noodzakelijk is voor de veiligheid van anderen en de verdere ontwikkeling van de veroordeelde. De rechtbank heeft de termijn van de PIJ-maatregel verlengd tot 7 april 2026, met de mogelijkheid tot verdere verlenging indien nodig.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Locatie Middelburg
Parketnummer: 02-174729-21
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 16 juli 2025
op de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de termijn van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] ,
verblijvende in [de jeugdinrichting] .

1.De stukken

Het dossier bevat onder meer de volgende stukken:
- de vordering van de officier van justitie d.d. 2 juni 2025, die strekt tot verlenging van de termijn van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) met 9 maanden;
- de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van veroordeelde tot en met 27 januari 2025;
- het rapport van [de jeugdinrichting] d.d. 26 mei 2025, waarin het advies van de inrichting is vermeld.

2.De procesgang

Bij beslissing van deze rechtbank van 13 januari 2022 is veroordeelde als schuldig aan diefstal in vereniging met geweld en bedreiging met geweld veroordeeld tot een PIJ-maatregel.
Veroordeelde is toen door de rechtbank in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.
De rechtbank heeft overwogen dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
De PIJ-maatregel is op 28 januari 2022 aangevangen.
De PIJ-maatregel is bij beslissing van deze rechtbank van 18 januari 2024 verlengd voor een termijn van 18 maanden.
Volgens de jeugdinrichting zal de maatregel – behoudens verdere verlenging – voorwaardelijk eindigen op 11 juli 2025.
Tijdens het onderzoek ter zitting van de rechtbank op 16 juli 2025 zijn gehoord:
- de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius;
- veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.C. Peterse, advocaat te ’s-Gravenhage;
- de getuige-deskundige, mevrouw [naam 1] , gedragswetenschapper bij de jeugdinrichting.
Ook is ter zitting aanwezig de mentor van veroordeelde, mevrouw [naam 2] .

3.Het advies van de justitiële jeugdinrichting

De jeugdinrichting heeft geadviseerd de PIJ-maatregel met 9 maanden te verlengen. Uit het advies volgt dat veroordeelde voldoet aan de kenmerken van ernstige ADHD, worden trekken gezien van een antisociale persoonlijkheidsstoornis (ontwikkeld vanuit hechtingsproblematiek) en is hoogstwaarschijnlijk sprake van een verhoogde mate van psychopathie. Verder is sprake van een lichte stoornis in cannabisgebruik en er wordt uitgegaan van lichte aanwezigheid van een autismespectrumstoornis. Veroordeelde is gericht op zijn eigen behoeften, heeft een gebrekkige zelfcontrole en is rigide in zijn denken. Zijn inlevingsvermogen is beperkt.
Uit de informatie van de jeugdinrichting volgt dat veroordeelde meewerkt aan de medicamenteuze behandeling om onder meer zijn impulsregulatie te verbeteren, dat hij psychotherapie volgt en dat hij recent is gestart met Leren van Delict fase 2. Ook volgt hij MultiDimensionele FamilieTherapie (hierna: MDFT), welke in juli 2024 tijdelijk is gestopt na een melding vanuit de thuissituatie over seksueel overschrijdend gedrag in het verleden van veroordeelde richting zijn zusje. Het stilleggen van het resocialisatietraject, waaronder ook het eendaags begeleid verlof, door de eergenoemde melding is gepaard gegaan met de nodige weerstand en boosheid vanuit veroordeelde, waarbij hij zijn medewerking aan de behandelingen en therapiesessies een periode heeft gestaakt. Uiteindelijk is veroordeelde meer openheid gaan geven en is hij zich weer goed gaan inzetten. Het lukt hem steeds beter om lastige onderwerpen met de therapeut bespreekbaar te maken. Vervolgens is in augustus 2024 opnieuw gestart met begeleide verloven en in het najaar van 2024 met onbegeleide verloven. Veroordeelde hield zich aan de gemaakte afspraken omtrent het verlof, maar eind februari 2025 heeft hij zich tijdens het onbegeleid verlof onttrokken waarna zijn verlof is ingetrokken. Ten tijde van de onttrekking is bij veroordeelde sprake geweest van gerichtheid op en toegeven aan zijn directe behoeftebevrediging en sterke rigiditeit in denken, waarbij veroordeelde onvoldoende heeft stilgestaan bij de lange termijngevolgen van zijn keuzes.
Het recidiverisico wordt op dit moment binnen de huidige structuur met een hoog beveiligingsniveau als matig ingeschat. Als er meer vrijheden ontstaan, zonder voldoende structuur en versoepelde grenzen, kan het risico verhogen.
Verder blijkt uit de informatie van de jeugdinrichting dat veroordeelde gedurende de PIJ-maatregel met kleine stapjes heeft geleerd om met spanningsopbouw om te gaan en gedragsalternatieven in te zetten, waardoor de risicofactoren voor een klein gedeelte zijn bewerkt. Desondanks blijkt, zeker gezien de recente onttrekking, dat in zeer geringe mate sprake is van duurzame intrapsychische verandering. Het is de inschatting van de jeugdinrichting dat het maximale potentieel is bereikt voor wat betreft de verbetering van grip op emoties en gedrag. Verder lijkt de ontwikkelings- en persoonlijkheidsproblematiek van veroordeelde bij een toename van vrijheden meer aanwezig dan zichtbaar is binnen de gestructureerde afdeling van de jeugdinrichting, in die zin dat bij veroordeelde antisociale keuzes impulsief opkomen en hij daaraan gehoor geeft en vanuit antisociale cognities zijn gedrag aanstuurt. Dit maakt dat de komende periode moet worden gefocust op het inbouwen van beschermende factoren om het recidiverisico te verlagen, waaronder voldoende steun en structuur. Daarna zal veroordeelde middels het Scholings- en Trainingsprogramma (hierna: STP) kunnen uitstromen naar een forensische resocialisatie unit van GGZ WNB. Hierbij kan hij geleidelijk toewerken naar een zelfstandige(re) forensische woonvorm. Dit zal naar verwachting in oktober 2025 zijn. Ook zal het onbegeleid verlof worden hervat. Gelet hierop komt veroordeelde volgens de jeugdinrichting op zijn vroegst in maart 2026 in aanmerking voor de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel.
Ter zitting heeft de getuige-deskundige hieraan nog toegevoegd dat veroordeelde op de afdeling goed functioneert en dat hij zijn boosheid beter onder controle heeft, als gevolg waarvan er in de afgelopen periode slechts één fysiek incident heeft plaatsgevonden. Na de recente onttrekking is veroordeelde een periode minder gemotiveerd geweest, maar hij heeft zich weten te herpakken. Om de volgende stap te kunnen zetten, moet veroordeelde laten zien dat hij ook buiten de jeugdinrichting de juiste keuzes kan maken en dat hij zichzelf kan remmen. Veroordeelde zal opnieuw moeten gaan werken en er zal moeten worden gekeken naar een vervolgvoorziening met het nodige toezicht. Gezien zijn kernproblematiek blijft veroordeelde handvatten nodig hebben. De getuige-deskundige vindt een verlenging van de PIJ-maatregel voor de duur van 9 maanden passend, nu voor de werknemersvaardigheden en STP, waarmee naar verwachting in het najaar kan worden gestart, tijd nodig is.

4.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is ter zitting bij de vordering gebleven om de PIJ-maatregel met 9 maanden te verlengen. Zij meent dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor verlenging van de PIJ-maatregel en dat in het rapport van de jeugdinrichting duidelijk is toegelicht dat de verlenging nodig is. De officier van justitie gunt het veroordeelde dat hij het STP goed gaat doorlopen, waarna hij op een stabiele manier kan terugkeren in de maatschappij.

5.Het standpunt van de verdediging

Veroordeelde heeft ter zitting aangegeven dat de afgelopen periode goed is verlopen. Hij ziet de PIJ-maatregel als nuttig. Veroordeelde heeft veel geleerd en aan zichzelf gewerkt. Zo heeft hij geleerd om zijn boosheid beter onder controle te krijgen. Veroordeelde kan zich vinden in het advies van de jeugdinrichting om de PIJ-maatregel met 9 maanden te verlengen, maar hij zou 6 maanden ook goed vinden. Hij begrijpt dat hij nog bepaalde dingen, zoals werknemersvaardigheden, moet laten zien voordat hij naar buiten kan.
De advocaat brengt naar voren dat veroordeelde het beste uit de PIJ-maatregel haalt en dat hij echt is gegroeid. Er zijn concrete plannen voor het STP en veroordeelde is bereid om hieraan mee te werken. Er wordt daarom geen verweer gevoerd tegen de vordering van de officier van justitie. Verder is het werkverlof van veroordeelde door de recente onttrekking gestopt en is hij zijn werkplek kwijtgeraakt. Zodra er een nieuwe werkplek is gevonden, kan het traject worden hervat. Veroordeelde ziet in dat zijn onttrekking onnodig was. Onttrekking is overigens een groot woord voor wat er is gebeurd maar veroordeelde accepteert de gevolgen.

6.Het oordeel van de rechtbank

De PIJ-maatregel is aan veroordeelde opgelegd ter zake een misdrijf dat gericht is tegen en/of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, waardoor verlenging van de PIJ-maatregel mogelijk is. De rechtbank stelt, gelet op de informatie van de jeugdinrichting en de toelichting van de getuige-deskundige ter zitting, vast dat er bij veroordeelde nog steeds sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zoals hierboven beschreven.
Uit het advies van de jeugdinrichting en de toelichting van de getuige-deskundige ter zitting volgt dat de afgelopen periode moeilijk voor veroordeelde is geweest. Naar aanleiding van een melding vanuit de thuissituatie van veroordeelde over seksueel overschrijdend gedrag van veroordeelde richting zijn zusje is zijn resocialisatietraject tijdelijk stopgezet, waaronder MDFT en het eendaags begeleid verlof. Na een periode van boosheid en weerstand en het staken van zijn medewerking heeft veroordeelde zich herpakt en is hij zich beter gaan openstellen en weer gaan meewerken aan de behandelingen en therapiesessies. Ondanks deze moeilijke periode heeft veroordeelde gedurende de PIJ-maatregel positieve ontwikkelingen laten zien wat betreft het grip houden op emoties en gedrag, waarbij door de jeugdinrichting is ingeschat dat hierin het maximale potentieel is bereikt. Dit maakt dat de risicofactoren voor een klein gedeelte zijn bewerkt. Het recidiverisico wordt binnen de huidige structuur met een hoog beveiligingsniveau als matig ingeschat. Als er meer vrijheden ontstaan, zonder voldoende structuur en versoepelde grenzen, verhoogt het risico naar een hoog risico op recidive. Tegen de achtergrond van de kernproblematiek van veroordeelde is gebleken dat bij meer vrijheden antisociale keuzes impulsief bij veroordeelde opkomen en dat hij vanuit zijn directe behoeftebevrediging en sterke rigiditeit in denken aan die antisociale keuzes uitvoering geeft. De komende periode moeten stappen worden gezet om het recidiverisico te verlagen. Door veroordeelde wordt dit ook erkend. Het verlof zal weer worden hervat en er dienen beschermende factoren (voldoende structuur en steun) te worden ingebouwd, waarna veroordeelde middels het STP kan uitstromen naar een forensische resocialisatie unit van GGZ WNB. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de voortzetting van de PIJ-maatregel noodzakelijk is. Nu het de verwachting is dat veroordeelde, nadat de beschermende factoren voldoende zijn ingebouwd, in oktober 2025 met het STP kan starten, acht de rechtbank het voorzienbaar dat de behandeling van veroordeelde binnen de PIJ-maatregel nog minstens 9 maanden zal duren.
Gelet op wat hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, en het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van veroordeelde eisen dat de termijn van de PIJ-maatregel wordt verlengd met 9 maanden.
Ingevolge artikel 6:6:31, tweede lid, derde volzin, van het Wetboek van Strafvordering stelt
de rechtbank vast dat, tenzij beslist wordt tot verdere verlenging, de maatregel zal eindigen
op 7 april 2026. Hierbij heeft de rechtbank bij de in het advies van de jeugdinrichting genoemde voorwaardelijke einddatum van de PIJ-maatregel, te weten 11 juli 2025,
270 dagen (9x30 dagen) opgeteld.

7.De beslissing

De rechtbank:
- verlengt de termijn van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van veroordeelde met 9 maanden.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. J.B. Polak, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.G. Vork en is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.
Mr. Polak is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.