ECLI:NL:RBZWB:2025:4987
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Navordering belasting over fictieve afkoop stamrecht na liquidatie stamrecht-BV
Belanghebbende had in 2009 een stamrecht bedongen dat was ondergebracht in een stamrecht-BV waarvan hij enig aandeelhouder was. In 2020 werd de BV geliquideerd, waarbij het stamrecht feitelijk werd afgekocht. De inspecteur legde hierover een navorderingsaanslag IB/PVV op, omdat de afkoop als belastbaar loon uit vroegere dienstbetrekking moet worden beschouwd.
De inspecteur ontdekte de liquidatie en de afkoop pas in 2024 bij het in behandeling nemen van de vennootschapsbelastingaangifte van de BV, wat een nieuw feit vormde dat navordering rechtvaardigt. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet verplicht was eerder de vennootschapsbelastingaangifte te raadplegen en dat het nieuwe feit rechtvaardigt dat de navordering in 2024 werd opgelegd.
Belanghebbende stelde dat de aanslag in eerdere jaren had moeten worden opgelegd, maar de rechtbank verwierp dit omdat het stamrecht tot de liquidatie op de balans stond en de aanspraak tot dat moment bestond. Ook een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel slaagde niet, omdat de inspecteur zorgvuldig heeft gehandeld ondanks het ontbreken van voorafgaand overleg.
De navordering, inclusief de belastingrente, werd gehandhaafd en het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard. De rechtbank wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de navorderingsaanslag over de fictieve afkoop van het stamrecht in 2020.