ECLI:NL:RBZWB:2025:4989
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongebruikelijke terbeschikkingstelling en immateriële schadevergoeding bij belastingaanslagen 2015-2016
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 31 juli 2025 uitspraak gedaan in de beroepen van belanghebbende tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2015 en 2016. De kern van het geschil betrof de kwalificatie van de terbeschikkingstelling van landbouwgrond door ouders aan hun kinderen als een ongebruikelijke terbeschikkingstelling (tbs) in de zin van artikel 3.91, lid 3, Wet IB 2001.
De feiten betreffen een grondtransactie in 2007 waarbij ouders landbouwgrond overdroegen aan hun kinderen met een regulier pachtrecht voor de moeder, die het landbouwbedrijf voortzette. De inspecteur stelde dat de terbeschikkingstelling ongebruikelijk was en belastte het resultaat uit tbs in box 1. Het Hof ’s Gravenhage had dit oordeel bevestigd in 2021, en de Hoge Raad verklaarde het beroep tegen dit oordeel in 2023 ongegrond.
Belanghebbende voerde aan dat de overdracht onderdeel was van bedrijfsopvolging met een zakelijk motief, maar de rechtbank vond dat niet aannemelijk. De rechtbank volgde het oordeel van het Hof dat het samenstel van rechtshandelingen zich niet tussen derden zou voordoen, waardoor sprake is van een ongebruikelijke tbs. De hoogte van het belastbare resultaat uit tbs voor 2016 werd eveneens bevestigd, waarbij de rechtbank de door de inspecteur gehanteerde grondwaarde van € 65.000 per hectare aannemelijk achtte.
Verder werd het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen omdat het onderzoek bij de moeder niet tot een gerechtvaardigd vertrouwen leidde dat de tbs aan de kinderen zakelijk was. Wel kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van € 226,75 toegekend aan belanghebbende.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.