ECLI:NL:RBZWB:2025:4991
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongebruikelijke terbeschikkingstelling en aanslag inkomstenbelasting 2015-2016
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 31 juli 2025 uitspraak gedaan in de zaak over de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2015 en 2016 opgelegd aan belanghebbende. Centraal stond de vraag of sprake was van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling (tbs) zoals bedoeld in artikel 3.91, lid 3, Wet IB 2001, en of de aanslagen correct waren vastgesteld.
Feitelijk ging het om een grondtransactie in 2007 waarbij ouders cultuurgrond en opstallen overdroegen aan hun kinderen, met een regulier pachtrecht voor de moeder. De inspecteur stelde dat de pacht een ongebruikelijke tbs vormde, wat door het Hof ’s-Gravenhage en de Hoge Raad bevestigd werd. Belanghebbende voerde aan dat de overdracht zakelijk was en onderdeel van bedrijfsopvolging, maar de rechtbank vond onvoldoende bewijs voor een intentie tot voortzetting van het landbouwbedrijf door de kinderen.
De rechtbank stelde vast dat de waarde van de grond in 2016 juist was vastgesteld op € 65.000 per hectare en dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden omdat het onderzoek bij de moeder alleen de zakelijkheid van de transactie betrof. Wel kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van bezwaar en beroep. De beroepen werden ongegrond verklaard en de inspecteur werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: De beroepen zijn ongegrond verklaard; belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.