Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2017 die door de inspecteur was opgelegd. De inspecteur had de waarde van een bedrijfspand verhoogd ten opzichte van de WOZ-waarde, wat leidde tot een hoger belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Na een vermindering door de inspecteur bleef de aanslag volgens belanghebbende te hoog.
De rechtbank beoordeelde of de aanslag na de vermindering correct was vastgesteld en of de hoorplicht was nageleefd. Belanghebbende stelde dat zij niet voldoende was gehoord, maar de rechtbank oordeelde dat de inspecteur haar meerdere malen had uitgenodigd en dat zij niet op die uitnodigingen was ingegaan.
De rechtbank stelde vast dat het werkelijke rendement van belanghebbende niet aannemelijk was gemaakt, ondanks herhaalde kansen. De rechtbank berekende het forfaitaire rendement op basis van de Wet Rechtsherstel box 3 en concludeerde dat de aanslag verminderd moest worden tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €10.197. Een verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat geen schade was aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de eerdere uitspraak op bezwaar en de verminderingsbeschikking, en bepaalde dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moest vergoeden. De overige elementen van de aanslag bleven gehandhaafd.