ECLI:NL:RBZWB:2025:5079
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €606.000 per 1 januari 2023, en tegen de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2024. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en kende een dwangsom toe wegens niet tijdig beslissen. Belanghebbende vervolgde de procedure bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. De waarde was bepaald via de vergelijkingsmethode aan de hand van referentiewoningen met concrete verkoopcijfers. Belanghebbende stelde dat een vergelijkbare buurwoning met lagere WOZ-waarde had moeten worden meegenomen, maar de rechtbank oordeelde dat WOZ-waarden van andere woningen geen concrete verkoopcijfers zijn en dus niet bruikbaar.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen begunstigend beleid of oogmerk tot begunstiging was vastgesteld en de meerderheidsregel niet werd geschonden. De woningen verschilden immers in objectonderdelen en kwaliteit, wat de waardeverschillen verklaart.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB niet te hoog waren vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Hierdoor blijft de aanslag OZB gehandhaafd en wordt het griffierecht niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde en aanslag worden gehandhaafd.