Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar WIA-uitkering door het UWV. Het UWV heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zeventien weken, met een verlenging tot 13 mei 2024, een besluit genomen. Eiseres heeft het UWV op 15 mei 2024 ingebreke gesteld, waarna zij binnen twee weken beroep kon instellen. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV nog steeds geen besluit heeft genomen.
Het UWV gaf aan dat een tekort aan verzekeringsartsen de vertraging veroorzaakt, waardoor het onduidelijk is wanneer een besluit volgt. De rechtbank vindt dat het belang van een zorgvuldige heroverweging een langere termijn dan twee weken rechtvaardigt, maar stelt een redelijke termijn van vier maanden vast waarbinnen het UWV alsnog moet beslissen.
Daarnaast legt de rechtbank het UWV een dwangsom op van €100 per dag voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. De reeds vastgestelde bestuurlijke dwangsom van €1.442,- door het UWV wordt bevestigd. Tot slot moet het UWV het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden, aangezien het beroep gegrond is verklaard.