Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder een duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart op 23 juli 2022 in Tilburg. Betrokkene en zijn gemachtigde voerden aan dat de gedraging niet had plaatsgevonden omdat het voertuig niet in een afgebakend vak stond en er geen bord E6 zichtbaar was. Tevens werd gewezen op tegenstrijdige borden en een parkeerverbod wegens een kermis. Daarnaast werd een overschrijding van de redelijke termijn aangevoerd.
De officier van justitie stelde dat de gedraging voldoende was vastgesteld op basis van foto's en de verklaring van de verbalisant. Ook erkende hij dat betrokkene niet gehoord was, wat een schending van de hoorplicht betekende, en verzocht om matiging van de boete met 50% (25% voor hoorplichtschending en 25% voor termijnoverschrijding).
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging wel degelijk had plaatsgevonden en dat betrokkene hiervoor verantwoordelijk is. De redelijke termijn van twee jaar was met ruim tien maanden overschreden, wat een matiging van 25% rechtvaardigt. Daarnaast was er sprake van een schending van de hoorplicht, wat eveneens een matiging van 25% rechtvaardigt. De boete werd daarom gematigd tot € 174,37 plus administratiekosten, en betrokkene kreeg een proceskostenvergoeding van € 453,50 toegekend.
Uitkomst: De boete wordt gematigd tot € 174,37 vanwege overschrijding van de redelijke termijn en schending van de hoorplicht.