ECLI:NL:RBZWB:2025:5217
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning uit 1999 met een gebruikersoppervlakte van 147 m2, gelegen op een perceel van 276 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2023 vast op €484.000 en legde gelijktijdig de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2024 op.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waarde en de aanslag, stellende dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld. De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen met vergelijkbare kenmerken en verkoopdata werden gebruikt. De heffingsambtenaar had een taxatiematrix overgelegd waarin verschillen tussen de woning en referentiewoningen waren verwerkt, inclusief correcties voor aanbouwen, tuinhuis, ligging, onderhoud en voorzieningen.
Belanghebbende voerde tevens een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan, stellende dat vergelijkbare woningen in dezelfde straat lagere WOZ-waarden hadden. De rechtbank oordeelde dat de aangedragen woningen niet identiek waren en dat er geen sprake was van strijd met het gelijkheidsbeginsel volgens de meerderheidsregel.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €484.000 blijft gehandhaafd.