ECLI:NL:RBZWB:2025:552
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen niet tijdig beslissen op verzoeken om ambtshalve vermindering belastingaanslagen
Belanghebbende stelde verzet in tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin het beroep tegen het niet tijdig beslissen op verzoeken om ambtshalve vermindering was behandeld. De rechtbank oordeelde dat het verzet gegrond is omdat in het dictum van de eerdere uitspraak niet volledig was uitgedrukt dat de verzoeken om ambtshalve vermindering wegens kennelijke ongegrondheid worden afgewezen.
De rechtbank hervat het onderzoek en doet tevens uitspraak op het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Vaststaat dat de inspecteur niet heeft beslist op de verzoeken om ambtshalve vermindering, wat in strijd is met artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De lopende procedures tegen aanslagen van de ouders vormen geen belemmering voor het in behandeling nemen van deze verzoeken.
De rechtbank legt een dwangsom van €1.442 op wegens het niet tijdig beslissen en bepaalt dat de inspecteur binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog moet beslissen. Voor elke dag overschrijding daarna geldt een dwangsom van €100 met een maximum van €15.000. Verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn worden afgewezen, maar wettelijke rente over de dwangsom en het griffierecht wordt toegekend.
De inspecteur moet het griffierecht vergoeden aan belanghebbende. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Deze uitspraak is gedaan door rechter M.H. van Schaik op 5 februari 2025 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het verzet en het beroep gegrond, legt een dwangsom op en draagt de inspecteur op binnen twee weken alsnog te beslissen op de verzoeken om ambtshalve vermindering.