ECLI:NL:RBZWB:2025:5565

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 augustus 2025
Publicatiedatum
20 augustus 2025
Zaaknummer
25/3000
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening wegens feitelijke voorziening

Verzoekster diende een verzoek om voorlopige voorziening in tegen het college van burgemeester en wethouders van Tilburg wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag van 15 april 2025. Zij maakte bezwaar tegen het niet tijdig beslissen en trok haar verzoek in nadat het college een feitelijke voorziening trof door het plaatsen van paaltjes bij de brandgang van haar woning, waardoor zij met haar scootmobiel toegang kreeg.

De voorzieningenrechter stelde het college in de gelegenheid te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling. Het college gaf aan dat met de te treffen voorziening geen besluit was genomen dat tegemoetkwam aan het bezwaar of de aanvraag van verzoekster. De voorzieningenrechter overwoog dat het college niet aan het verzoek om voorlopige voorziening was tegemoetgekomen, omdat het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen sinds 1 oktober 2009 niet meer ontvankelijk is en de voorziening een feitelijke handeling betreft, geen besluit in de zin van de Awb.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om proceskostenveroordeling af omdat de feitelijke voorziening niet gelijkstaat aan het treffen van een voorlopige voorziening zoals bedoeld in artikel 8:75a Awb. De uitspraak is zonder zitting gedaan en is definitief, hoger beroep of verzet is niet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat het college geen besluit heeft genomen dat tegemoetkomt aan het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3000

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2025 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. P.W. Masselink),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om voorlopige voorziening over het niet tijdig nemen van een besluit door het college op haar aanvraag van 15 april 2025. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.
1.1.
Zij heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken omdat het college een voorziening zal treffen in het parkeervak, rechtstreeks voor de ingang van de brandgang van haar woning, zodat er geen auto kan parkeren om de toegang tot de brandgang te blokkeren en zij met haar scootmobiel via de brandgang naar haar woning kan (de voorziening).
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat met de te treffen voorziening geen besluit is genomen waarmee tegemoetgekomen is aan het bezwaar dan wel de aanvraag van eiseres.
1.3.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij
afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van een besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [3]
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Gelet op de gedingstukken en het in de inleiding opgenomen procesverloop is het college niet tegemoetgekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. Het bezwaar van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag kon namelijk niet leiden tot het met dat bezwaar beoogde resultaat, omdat tegen het niet tijdig beslissen sinds 1 oktober 2009 [4] geen bezwaar meer open staat. Ook als het college het bezwaarschrift van verzoekster had doorgezonden als beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag (wat sindsdien wel mogelijk is), had dit niet kunnen leiden tot het door eiseres gewenste besluit. Zij heeft immers niet verzocht om een beslissing over een publiekrechtelijke rechtshandeling, maar om een feitelijke handeling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de afhandeling van het verzoek van eiseres tot het plaatsen van de paaltjes (de voorziening) daarom geen besluit in de zin van de Awb. De mededeling van het college van 6 augustus 2025 dat de voorziening feitelijk zal worden getroffen door het plaatsen van paaltjes, maakt dit niet anders. Hierom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 22 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3.Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
4.De datum van inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen.