De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde beroepen van een ex-werknemer en ex-werkgever tegen besluiten van het UWV omtrent de toekenning van een WIA-uitkering. Het primaire besluit kende een 100% arbeidsongeschiktheid toe, welke na bezwaar van de ex-werkgever werd verlaagd naar 66,33% en later in een gewijzigd besluit naar 55,26%. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en beoordeelde het gewijzigde besluit inhoudelijk.
De medische beoordeling was gebaseerd op rapporten van verzekeringsartsen, waaronder een fysiek onderzoek ondanks coronamaatregelen. De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en de beperkingen van de ex-werknemer terecht in de Functionele Mogelijkheden Lijst waren vastgelegd. De ex-werknemer en ex-werkgever voerden tegenstrijdige medische standpunten aan, maar de rechtbank vond geen reden om het UWV-medisch oordeel te verwerpen.
De arbeidsdeskundige van het UWV selecteerde passende functies voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid. De ex-werkgever stelde dat functies ten onrechte waren verworpen, maar de rechtbank verwierp deze bezwaren na beoordeling van de onderbouwing en de toepasselijke richtlijnen. De vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 55,26% werd bevestigd.
De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten aan de ex-werkgever vanwege de wijziging van het besluit, maar wees het verzoek van de ex-werknemer tot benoeming van een deskundige af. De beroepen tegen het gewijzigde besluit werden ongegrond verklaard.