De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 september 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne in een loods te [plaats]. De rechtbank oordeelde dat verdachte zijn loods ter beschikking had gesteld voor het bewerken en verwerken van cocaïne en dat een grote hoeveelheid cocaïne in de loods aanwezig was. Verdachte had wetenschap van deze situatie en heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er cocaïne aanwezig was.
De rechtbank vond dat verdachte een ondersteunende en faciliterende rol had en niet als hoofdrolspeler kon worden aangemerkt. Het bewijs bestond uit verklaringen van verdachte, politiebevindingen en de situatie in de loods op 29 augustus 2024. Verdachte werd vrijgesproken van het primaire feit van bewerken van cocaïne, maar veroordeeld voor medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne vanaf 15 augustus 2024 tot en met 29 augustus 2024.
De rechtbank verwierp het verweer van psychische overmacht omdat verdachte ondanks bedreigingen toch meerdere malen na 18:00 uur bij de loods werd gezien. De strafmaat werd vastgesteld op 251 dagen gevangenisstraf, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur met vervangende hechtenis van 120 dagen bij niet-nakoming. De tijd in voorarrest werd in mindering gebracht.