Eiser, eigenaar van een woning sinds 2018, vroeg een onttrekkingsvergunning deeltijd wonen aan en verzocht tevens om de woning ook in de toekomst als tweede woning te mogen gebruiken door zijn erfgenamen. Het college verleende de vergunning maar wees het verzoek om erfelijk gebruik af. Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij erop mocht vertrouwen dat vererving mogelijk was en dat de hardheidsclausule toegepast moest worden vanwege zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder het overlijden van zijn echtgenote.
De rechtbank oordeelt dat het college een discretionaire bevoegdheid heeft om de hardheidsclausule toe te passen en dat het college in redelijkheid het verzoek mocht afwijzen. De omstandigheden van eiser zijn niet specifiek schrijnend genoeg en het algemeen belang van de verordening, gericht op het behoud van woningvoorraad voor de lokale bevolking, weegt zwaarder. Tevens is het niet aannemelijk dat eiser niet op de hoogte was van de veranderende regelgeving.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen recht heeft op vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert en openbaar gemaakt op 9 september 2025.