ECLI:NL:RBZWB:2025:6182
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanslag inkomstenbelasting 2020 en toepassing vertrouwensbeginsel bij buitenlandse belastingplicht
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2020 en de daarbij opgelegde rentebeschikkingen en verzuimboete. De inspecteur had de aanslag verminderd en de verzuimboete vernietigd, maar belanghebbende bleef ontevreden en ging in beroep bij de rechtbank.
De kern van het geschil betrof de vraag of de AOW-uitkering slechts voor 70% in de belastingheffing mocht worden betrokken, zoals bij pensioenuitkeringen, en of het vertrouwensbeginsel recht gaf op aftrek van de pensioenverrekening aan de ex-echtgenote. De rechtbank oordeelde dat de AOW-uitkering op grond van het belastingverdrag en de Wet IB 2001 volledig tot het belastbaar inkomen behoort, omdat het een socialezekerheidsuitkering van publiekrechtelijke aard betreft.
Verder stelde de rechtbank vast dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was op de aanslag 2020, omdat het vertrouwen door de inspecteur op 26 augustus 2020 was opgezegd, en het belastingjaar toen nog niet was verstreken. Belanghebbende had geen aangifte gedaan en kon na afloop niet meer op het eerdere standpunt vertrouwen.
De rechtbank verwierp ook de bezwaren tegen de revisierente en belastingrente. Het beroep werd ongegrond verklaard, de aanslag en rentebeschikkingen bleven in stand, en belanghebbende kreeg geen proceskostenvergoeding of teruggaaf van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag IB 2020 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.