Belanghebbende was eigenaar van een woning en had een hypotheek bij een bank. Na persoonlijk faillissement en executieveiling van de woning ontstond discussie over de fiscale behandeling van de restschuld in de aangifte IB/PVV 2020.
De inspecteur legde een navorderingsaanslag op wegens een kenbare fout, omdat het belastbaar inkomen volgens de aanslag significant afweek van de wettelijk verschuldigde belasting. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde onder meer dat de inspecteur niet conform de AVG had gehandeld en dat het zorgvuldigheidsbeginsel was geschonden, maar deze standpunten werden als tardief verworpen.
De rechtbank oordeelde dat de navordering terecht was, omdat het verschil in belasting meer dan 30% bedroeg en er geen beoordelingsfout was. De belastingrentebeschikking bleef eveneens in stand. Wel kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, die ruim zes maanden bedroeg.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de navorderingsaanslag en rente bleven gehandhaafd, en de inspecteur werd veroordeeld tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten.