ECLI:NL:RBZWB:2025:6274
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen aanslag IB/PVV 2022 en uitbetaling heffingskorting
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022 en de daarbij behorende belastingrentebeschikking, waarin hij een hoger bedrag aan uitbetaling van heffingskorting vordert dan door de inspecteur toegekend.
De rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende in 2022 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikte en dat de inspecteur de heffingskortingen heeft berekend op basis van een tijdsevenredig premiepercentage voor de volksverzekeringen, conform de geldende wet- en regelgeving, waaronder de Regeling Wfsv.
Belanghebbende betoogt dat de inspecteur onjuist heeft gehandeld door het mengpercentage over het hele jaar toe te passen, waardoor hij minder heffingskorting ontvangt dan wanneer een knip per maand zou worden gemaakt. De rechtbank oordeelt echter dat de inspecteur de wet correct toepast en dat de voorgestane methode van belanghebbende niet strookt met de wettelijke regels.
De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad uit 2005, waarin de rechtmatigheid van een dergelijke tijdsevenredige berekeningsmethode is bevestigd. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de aanslag en belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt geen hogere heffingskorting uitbetaald en vergoedt geen proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2022 blijft ongewijzigd.