Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende 1] , uit [plaats] , en
Inleiding
Feiten
‘Verzoek tot aanwijzing [adres 1] als gemeentelijk monument’.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbenden hebben beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van hun woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €348.000 en na bezwaar verlaagd tot €310.000. Zij stelden dat de waarde maximaal €235.000 bedraagt, gebaseerd op een taxatierapport.
De rechtbank heeft beoordeeld of de waarde te hoog is vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen worden gebruikt die vergelijkbaar zijn in uitstraling, bouwjaar en woonoppervlakte. De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix overgelegd met vier referentiewoningen, die de rechtbank geschikt achtte.
De rechtbank verwierp het standpunt van belanghebbenden dat de woning een bedrijfswoning is en dat de referentiewoningen daarom niet vergelijkbaar zouden zijn. Ook het taxatierapport van belanghebbenden werd niet als bruikbaar beschouwd vanwege het gebruik van agrarische bedrijven en niet-vrijemarktwoningen als referenties.
Verder werd voldoende rekening gehouden met de slechte staat van de woning door een aanzienlijke correctie op de vierkante meterprijs toe te passen. Ook werd het argument dat landbouwgrond waardedrukkend zou zijn verworpen, omdat deze grond niet in de waardebepaling was meegenomen. De brief over het verzoek tot aanwijzing als gemeentelijk monument werd niet als waardedrukkend beschouwd omdat de woning op de waardepeildatum niet als monument was aangewezen.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De aanslagen watersysteemheffing en OZB blijven gehandhaafd, en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslagen wordt ongegrond verklaard en de waarde van €310.000 blijft gehandhaafd.