ECLI:NL:RBZWB:2025:6344
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag BPM met toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.075 die de inspecteur had opgelegd na een hertaxatie van een Seat Cupra Ateca. De inspecteur had de aanslag gebaseerd op een hogere waarde dan door belanghebbende was opgegeven.
De rechtbank beoordeelde of de herleidingsmethode toegepast kon worden en concludeerde, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025, dat deze methode niet slaagt. Hierdoor is de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog vastgesteld.
Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn met circa vier maanden was overschreden en kende een vergoeding van € 500 toe, die voor rekening van de Staat komt.
Ook werden proceskosten van € 226,75 toegekend voor de rechtsbijstand bij het verzoek om schadevergoeding. Het griffierecht werd niet vergoed omdat de termijnoverschrijding op het moment van het verzoek nog niet was ingetreden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde de Staat tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten, en wees het griffierecht af.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 500 wegens termijnoverschrijding.