Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2020, inclusief de daarbij opgelegde belastingrente en verzuimboete. De rechtbank heeft op 14 augustus 2025 de zaak behandeld, waarbij belanghebbende niet aanwezig was.
De inspecteur had belanghebbende meerdere malen uitgenodigd en aangemaand tot het doen van aangifte, met een uiterste datum van 16 augustus 2021. Belanghebbende diende de aangifte uiteindelijk pas op 29 augustus 2022 in, zonder uitstel te hebben gevraagd. De inspecteur legde daarop een aanslag op een belastbaar inkomen van €13.472, belastingrente van €58 en een verzuimboete van €385 op.
Belanghebbende stelde dat de belastingrente en boete vernietigd moesten worden vanwege het niet tijdig beslissen op bezwaar door de inspecteur. De rechtbank oordeelde echter dat de overschrijding van de beslistermijn geen wettelijke grond biedt voor vernietiging van deze beschikkingen. De boete is conform wettelijke bepalingen opgelegd en er is geen sprake van afwezigheid van alle schuld. De rechtbank constateerde wel een overschrijding van de redelijke termijn met circa vijf maanden, maar dit leidt niet tot vergoeding omdat de boete onder de €1.000 blijft.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de belastingrente- en boetebeschikking en wees een proceskostenvergoeding af.