Belanghebbende, woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 2017 en 2021, waarbij zij stelde kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te zijn. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.8 Wet IB 2001 en artikel 21bis UBIB 2001, omdat haar inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland is belast. De AOW- en pensioenuitkeringen zijn belast in het Verenigd Koninkrijk.
Belanghebbende voerde tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel, stellende dat toezeggingen van de inspecteur en informatie op de Belastingdienstwebsite haar het recht gaven op kwalificerende buitenlandse belastingplicht. De rechtbank acht dit beroep ongegrond, omdat onvoldoende bewijs is geleverd voor toezeggingen en de website-informatie niet leidt tot een in rechte beschermd vertrouwen.
Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de bezwaarprocedure over 2017 met circa twee maanden is overschreden. De rechtbank kent daarom een immateriële schadevergoeding van € 500 toe. Daarnaast wordt een reiskostenvergoeding van € 538,74 toegekend voor de zitting. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de aanslagen blijven in stand en belanghebbende krijgt geen terugbetaling van het griffierecht.