ECLI:NL:RBZWB:2025:6411

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 september 2025
Publicatiedatum
25 september 2025
Zaaknummer
11639105 CV EXPKL 25-1201 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • M. Badal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot doorbetaling van loon in arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

In deze zaak vordert de werknemer, [werknemer], dat de arbeidsovereenkomst met de werkgever, [werkgever], doorloopt tot 31 mei 2025 en dat het loon van € 2.357,33 bruto per maand wordt doorbetaald vanaf 1 december 2024 tot 14 april 2025. De werknemer stelt dat de werkgever het loon vanaf december 2024 niet heeft betaald, terwijl de werkgever aanvoert dat de arbeidsovereenkomst per 30 november 2024 is geëindigd. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer niet duidelijk en ondubbelzinnig heeft opgezegd en dat de arbeidsovereenkomst dus doorloopt tot 31 mei 2025. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer toe, inclusief de wettelijke verhoging en rente, en veroordeelt de werkgever in de proceskosten. In reconventie wordt de vordering van de werkgever afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11639105 \ CV EXPL 25-1201
Vonnis van 17 september 2025
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,
tegen

1.[V.O.F.] ,

te [plaats 2] ,
2.
[vennoot 1],
te [plaats 2] ,
3.
[vennoot 2],
te [plaats 2] ,
vennoten van gedaagde sub 1,
gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. S.E.C. Segeren-Krijnen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 juni 2025;
- het bericht van 28 juli 2025 met productie(s) van [werkgever] ;
- de mondelinge behandeling van 19 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de conclusie van antwoord in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] is op 1 september 2023 bij [werkgever] in dienst getreden op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor de duur van zeven maanden, in de functie van chauffeur voor de duur van 32 uur per week, tegen een salaris van € 2.357,33 bruto per maand, inclusief 8% vakantietoeslag. Na het verstrijken van de looptijd is de arbeidsovereenkomst verlengd.
2.2.
Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het beroepsgoederenvervoer over de weg van toepassing verklaard.
2.3.
Artikel 1.3 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat werknemer en werkgever recht hebben de arbeidsovereenkomst tussentijds op te zeggen met inachtname van de in de cao opgenomen opzegtermijnen en dat opzeggen alleen kan tegen de laatste dag van een kalendermaand.
2.4.
Bij brief van 12 december 2024 heeft [werkgever] het volgende aan [werknemer] bericht:
Beste heer [werknemer] ,
“(…)Bij deze wil ik ons telefonische en mondelinge gesprek bevestigen.
In beide gesprekken heb ik medegedeeld u medegedeeld dat uw arbeidscontract welke per 31 december 2024 af loopt niet verlengd zal worden.
Ik hoop u hiermee voldoende ingelicht te hebben en wens u veel succes naar het zoeken van passend werk(…)”.
2.5.
Op 19 juni 2024 heeft [werknemer] – voor zover hier van belang – het volgende aan [werkgever] bericht:
“(…)de maand juli (7) is de laatste maand voor mij. Ik wil graag samen met jullie aan tafel gaan zitten om af te rekenen, op een moment dat het jullie uitkomt. Wat moet ik nog betalen, en wat krijg ik eventueel terug? Op deze manier geldt de maand juli als opzegtermijn(…)”.
2.6.
[werknemer] is na juli 2024 voor [werkgever] blijven werken.
2.7.
Op 25 november 2024 heeft [werknemer] aan [werkgever] bericht dat hij van 6 december 2024 tot 13 december 2013 met verlof gaat.
2.8.
Op 16 december 2024 heeft tussen [werkgever] en [werknemer] de volgende WhatsApp correspondentie plaatsgevonden:
[werkgever] :
“Chef, je gezondheidstoestand is niet goed, daarom zal ik in je plaats een chauffeur regelen.het beste voor je in deze periode dat je thuis blijft.
Je hebt recht om te stoppen en om OWW te krijgen”.
[werknemer] : “
Dus van 1/1 mocht het Allah dat willen.
In ieder geval ik ga ven kijken hoe het zit met de afspraken en wij houden contacten”.
[werkgever] :
“Chef, sowieso is de maand voorbij”
[werknemer] :
“Oké, wij houden contacten als ik meer weet over mijn afspraken, mocht het Allah willen”.
[werkgever] :
“Omdat [naam] mij heeft verteld dat jij hem verteld hebt dat jij gestopt bent met werken sinds de vorige keer”.
2.9.
[werknemer] heeft zich op 17 december 2024 ziekgemeld.
2.10.
[werkgever] heeft voor de maand december 2024 een bedrag van € 1.450,- netto aan loon aan [werknemer] betaald.
2.11.
Op 5 januari 2025 heeft tussen [werkgever] en [werknemer] de volgende WhatsApp correspondentie plaatsgevonden:
[werkgever] :
“Broeder, vergeet alles. Ga alles nog eens controleren en alle papieren zorgvuldig natrekken. Ik zweer bij Allah dat ik namens jou spreek, omdat ik niet wil dat jij in de problemen komt. Vriend mijn contract met de staat loopt door zoals de eerste overeenkomst was”.
“Broeder, ik begrijp niet waar je recht op hebt. Ik bedoel, hoeveel is het”.
[werknemer] :
“Na dit gesprek, bij deze dan mijn loonstrook duidelijk , lees het even zorgvuldig“.
[werkgever] :
“Broeder, je hebt mij de loonstrook van de 11e maand naar mij verzonden. € 825,-“.
[werknemer] :
“Bij Allah, ik weet het niet. Ik heb je gebeld en verteld, [vennoot 1] , deze dagen voor mij én voor jullie zou afrekenen, zodat jullie geen schade zouden lijden. Ik heb ook aangegeven dat ik aan het begin van de maand zou stoppen met werken, en op basis daarvan verwachtte ik dat mijn volledige salaris zou worden overgemaakt. Tot mijn verbazing heb je echter slechts €1450,- overgemaakt”.
2.12.
Het Pensioenfonds Vervoer heeft [werknemer] bij brief van 26 februari 2025 bericht dat [werknemer] door zijn werkgever uit dienst is gemeld en dat hij vanaf 30 november 2024 geen pensioen meer opbouwt bij het Pensioenfonds Vervoer.
2.13.
In maart en april 2025 heeft tussen de gemachtigde van [werknemer] en [werkgever]
e-mailcorrespondentie plaatsgevonden, waarin [werkgever] zich op het standpunt heeft gesteld dat [werknemer] ontslag heeft genomen per 1 januari 2025. De gemachtigde van [werknemer] heeft weersproken dat [werknemer] ontslag heeft genomen en dat de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2025 is geëindigd en heeft aanspraak gemaakt op loondoorbetaling.

3.Het geschil

In conventie:
3.1.
[werknemer] vordert – samengevat – voor recht te verklaren dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen die duurt tot en met 31 mei 2025 en om [werkgever] hoofdelijk te veroordelen tot doorbetaling van het loon van € 2.357,33 bruto vanaf 1 december 2024 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Ook vordert [werknemer] om [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[werknemer] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [werknemer] is sinds 1 september 2023 voor [werkgever] werkzaam als chauffeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, welke tweemaal is verlengd (voor de aangegane duur van 7 maanden) en loopt tot en met 31 mei 2025. Vanaf de maand december 2024 heeft [werkgever] nagelaten om het loon aan [werknemer] te betalen. [werknemer] vordert daarom betaling van zijn loon tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Daarnaast is [werkgever] vanwege het niet betalen van het loon de wettelijke verhoging zoals genoemd in artikel 7:625 BW verschuldigd en ook de wettelijke rente. Tot slot dient [werkgever] de proceskosten te betalen, aldus [werknemer] .
3.3.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure. [werkgever] legt aan haar verweer het volgende ten grondslag.
3.4.
[werkgever] voert ten aanzien van de tegen de vof ingestelde vordering aan dat de vof is ontbonden met ingang van 1 april 2025. De dagvaarding is uitgebracht op 1 april 2025. Om die reden dient [werknemer] in zijn vordering tegen de vof niet-ontvankelijk te worden verklaard, danwel dient de vordering te worden afgewezen.
3.5.
[werkgever] voert inhoudelijk tegen de vordering aan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd per 30 november 2024 danwel 31 december 2024, als gevolg waarvan de loonbetalingsverplichting van [werkgever] jegens [werknemer] is geëindigd.
Zij stelt daartoe het volgende. [werknemer] heeft in juni 2024 aan [werkgever] te kennen gegeven te willen stoppen met werken en dat de maand juli 2024 de laatste maand zou zijn waarin hij zou komen werken. Vervolgens heeft [werknemer] in augustus 2024 aangegeven de arbeidsovereenkomst te willen voortzetten tot en met 30 november 2024. Eind november 2024 heeft [werknemer] te kennen gegeven toch nog even door te willen werken. Op 2 en 3 december 2024 heeft [werknemer] nog gewerkt en op 3 december 2024 heeft hij naar [vennoot 1] gebeld met de mededeling dat hij per direct ging stoppen. [vennoot 1] is daarmee akkoord gegaan, maar op 15 december 2024 belde [werknemer] weer op omdat hij op 16 december 2024 toch nog een dag wilde werken. Op 16 december 2024 heeft [werknemer] een whatsapp bericht aan [vennoot 1] gestuurd met de strekking dat hij per 1 januari 2025 een WW-uitkering aan zal vragen omdat hij zal stoppen met werken. De brief van 16 december 2024 is door [werkgever] in onderling overleg met [werknemer] opgesteld ten behoeve van de aanvraag van een WW-uitkering door [werknemer] .
In reconventie:
3.6.
[werkgever] vordert voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd per 30 november 2024, dan wel per 31 december 2024, danwel op een door de kantonrechter te bepalen datum, met veroordeling van [werknemer] in de kosten van de procedure.
3.7.
[werknemer] voert verweer. [werknemer] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werkgever] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werkgever] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werkgever] in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter zal de vorderingen in conventie en in reconventie, gelet op hun samenhang, gezamenlijk behandelen.
Ontvankelijkheidsverweer
4.2.
Voordat de kantonrechter de zaak inhoudelijk zal beoordelen, zal zij allereerst ingaan op het door [werkgever] gevoerde ontvankelijkheidsverweer. De kantonrechter stelt vast dat uit de overgelegde informatie van de Kamer van Koophandel blijkt dat de vof [werkgever] is opgeheven met ingang van 1 april 2025. Dit betekent niet zonder meer dat de vof op dat moment is opgehouden te bestaan. [werkgever] heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd gesteld dat de vereffening en verdeling zijn afgerond. Ook een vof in liquidatie kan als procespartij worden aangesproken. Het betreft ook een vordering die is aangegaan door de vof. Om die reden wordt aan het ontvankelijkheidsverweer voorbij gegaan.
Duur arbeidsovereenkomst
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij een arbeidsovereenkomst hebben gesloten met ingang van 1 september 2023 voor de duur van 7 maanden en dat deze na het verstrijken van die termijn voor dezelfde duur is voortgezet, tot en met 31 oktober 2024. Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] op 19 juni 2024 aan [werkgever] heeft laten weten te willen stoppen met werken met ingang van 1 augustus 2024 en dat deze mededeling kwalificeert als een tussentijdse opzegging van de arbeidsovereenkomst door [werknemer] . Vaststaat dat [werknemer] op zijn verzoek ook na 31 juli 2024 is blijven werken voor [werkgever] en dat aan de opzegging door [werknemer] geen gevolg is gegeven. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst na 31 juli 2024 feitelijk is voortgezet. Partijen twisten over de vraag op welk moment de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Hierover wordt als volgt geoordeeld.
Opzegging door [werknemer]
4.4.
[werkgever] voert als verweer dat de arbeidsovereenkomst per 30 november 2024 danwel 31 december 2024 is beëindigd en zij dus geen loon meer is verschuldigd aan [werknemer] . Tijdens de zitting heeft [werkgever] desgevraagd aangegeven dat er sprake is van opzegging door [werknemer] .
4.5.
Beoordeeld dient dan ook te worden of er sprake is van een rechtsgeldige ontslagname van [werknemer] . Ter beantwoording van deze vraag moet vooropgesteld worden dat voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring is vereist, die erop is gericht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze volgens vaste rechtspraak geldende strenge maatstaf ter beantwoording van de vraag of een werknemer zijn dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen, dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, zoals het mogelijk verlies van ontslagbescherming en aanspraken op grond van de sociale zekerheidswetgeving. In verband met die gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer gericht is op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking (zie HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387).
4.6.
Het verweer van [werkgever] dat [werknemer] het dienstverband heeft opgezegd is een bevrijdend verweer. De stelplicht en eventuele bewijslast rusten dan ook op [werkgever] .
4.7.
De kantonrechter merkt in eerste instantie op dat [werkgever] niet duidelijk heeft kunnen maken op welk moment [werknemer] zou hebben opgezegd en hoe dit precies is gegaan. [werkgever] heeft gesteld dat [werknemer] in augustus 2024 mondeling contact heeft gelegd met [werkgever] en dat hij heeft gezegd dat hij de arbeidsovereenkomst wilde voortzetten tot en met 30 november 2024, maar dat [werknemer] eind november 2024 heeft laten weten toch nog even te willen doorwerken. Vast staat dat dit ook is gebeurd. Vaststaat immers dat [werknemer] op 2 en 3 december 2024 heeft gewerkt voor [werkgever] . Gelet daarop kan niet worden gezegd dat de arbeidsovereenkomst door opzegging door [werknemer] per 30 november 2024 is geëindigd.
4.8.
Voor zover [werkgever] stelt dat de arbeidsovereenkomst door opzegging van [werknemer] per 1 januari 2025 is geëindigd wordt het volgende overwogen. [werkgever] heeft ter onderbouwing van haar verweer een whatsapp bericht van 16 december 2024 in het geding gebracht (inclusief een Nederlandse vertaling van dat bericht). In dit bericht geeft [werkgever] aan dat het beter is voor [werknemer] dat hij vanwege zijn gezondheidstoestand thuis blijft en dat hij recht heeft om te stoppen om WW te krijgen. Daarop reageert [werknemer] :
Dus van 1/1 mocht Allah dat willen. In ieder geval ga ik even kijken hoe het zit met de afspraken en wij houden contacten.Hieruit kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden afgeleid dat [werknemer] de arbeidsovereenkomst duidelijk en ondubbelzinnig heeft opgezegd.
4.9.
Bovendien blijkt uit de zin
“Omdat [naam] mij heeft verteld dat jij hem hebt verteld dat jij gestopt bent met werken sinds de vorige keer”naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende dat [werknemer] op duidelijke en ondubbelzinnige wijze daadwerkelijk op dat moment een beëindiging van zijn dienstverband per 1 januari 2025 wilde bewerkstelligen. De mededeling van [naam] zegt verder niets over een concrete opzegging. Voor zover [werkgever] tijdens de zitting heeft aangeboden om [naam] in het kader van bewijslevering als getuige te laten horen wordt daaraan om die reden voorbij gegaan.
4.10.
Uit het door [werkgever] overgelegde whatsapp bericht van 5 januari 2025 waarin [werknemer] schrijft:
“Ik heb ook aangegeven dat ik aan het begin van de maand zou stoppen met werken en op basis daarvan verwachtte ik dat mijn volledige salaris zou worden overgemaakt”kan evenmin een duidelijke en ondubbelzinnige mededeling opzegging worden afgeleid. Dit geldt temeer, nu [werknemer] al vaker eerder kenbaar had gemaakt te willen stoppen, maar daaraan telkens geen gevolg is gegeven doordat [werknemer] is blijven werken voor [werkgever] .
4.11.
Bovendien is gesteld noch gebleken dat [werkgever] heeft voldaan aan de op haar geldende onderzoeks-/informatieplicht. Als [werkgever] uit enige verklaring en/of gedraging van [werknemer] een daadwerkelijke opzegging per 1 januari 2025 wilde mogen afleiden, geldt als vereiste dat [werkgever] zich er met redelijke zorgvuldigheid wel van moet hebben vergewist dat [werknemer] ook daadwerkelijk op dat moment een einde van zijn dienstverband beoogde per 1 januari 2025 en [werknemer] de mogelijke consequenties van deze beslissing voor zijn rechtspositie overzag (zie ECLI:NL:GHARL:2019:2253 en ECLI:NL:RBMNE:220:794). Mede gelet op het feit dat [werknemer] op 15 december 2024 ziek was gemeld en [werkgever] niet heeft betwist dat [werknemer] ziek was en als gevolg daarvan niet kon werken, lag het op de weg van [werkgever] om – ook in het kader van goed werkgeverschap – nader te onderzoeken of [werknemer] ook echt het dienstverband wenste op te zeggen en [werknemer] nader te informeren over de gevolgen daarvan.
4.12.
Bovendien staat de stelling dat [werknemer] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd haaks op de inhoud van de brief van [werkgever] van 16 december 2024, waarin [werkgever] schrijft dat zij [werknemer] in gesprekken heeft medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. Dat deze brief is opgesteld op verzoek van [werknemer] teneinde een WW uitkering te kunnen aanvragen is door [werknemer] weersproken en door [werkgever] ook niet nader onderbouwd.
4.13.
Gelet op het voorgaande slaagt het verweer van [werkgever] dat [werknemer] de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2025 heeft opgezegd niet. Dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen anderszins is geëindigd, is gesteld noch gebleken, waardoor de kantonrechter ervan uit gaat dat het dienstverband is blijven voortduren tot en met 31 mei 2025.
Verklaring voor recht
4.14.
Voorgaande leidt ertoe dat de vordering om voor recht te verklaren dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen die duurt tot en met 31 mei 2025 wordt toegewezen en dat de door [werkgever] gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.
Loonvordering
4.15.
De loonvordering wordt toegewezen zoals gevorderd, met inachtneming van het volgende.
4.16.
[werkgever] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat [werknemer] van 6 december tot en met 13 december 2024 vrij heeft genomen zonder daarvoor toestemming te vragen aan [werkgever] . Voor zover [werkgever] daarmee aanvoert dat zij over voornoemde periode geen loon is verschuldigd, wordt daaraan voorbij gegaan. Uit het whatsapp bericht dat is overgelegd als productie 3 bij de conclusie van antwoord volgt dat [werknemer] op 25 november 2024 aan [werkgever] heeft laten weten dat hij vrij ging nemen van 6 tot en met 13 december 2024. Gesteld noch gebleken is dat [werkgever] daartegen bezwaar heeft gemaakt, danwel dat [werknemer] onvoldoende verlofsaldo had. Gelet daarop is [werkgever] het loon voor de maand december 2024 geheel verschuldigd aan [werknemer] .
4.17.
Tijdens de zitting heeft [werknemer] erkend dat hij een bedrag van € 1.450,- netto van [werkgever] heeft ontvangen ter zake het voorschot op het salaris van december 2024. Dit bedrag strekt in mindering op het door [werkgever] te betalen loon over de maand december 2024.
4.18.
Tijdens de zitting is verder komen vast te staan dat [werknemer] op 14 april 2025 in dienst is getreden bij zijn nieuwe werkgever voor 40 uur per week. Dit betekent dat hij vanaf dat moment niet meer beschikbaar was voor het verrichten van werk voor [werkgever] . Het niet werken komt in dat geval voor rekening van [werknemer] , zodat [werkgever] over de periode van 14 april 2024 tot en met 31 mei 2025 geen loon meer verschuldigd is (zie artikel 7:628 lid 1 BW). Gelet daarop zal de loonvordering worden toegewezen tot 14 april 2025.
Wettelijke verhoging
4.19.
De kantonrechter overweegt dat de wettelijke verhoging is bedoeld als prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen. In dit geval heeft [werkgever] het loon vanaf 1 december 2024 niet (geheel) voldaan, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat loon ook niet verschuldigd te zijn. De onjuistheid van die veronderstelling komt op zichzelf weliswaar voor rekening en risico van [werkgever] , maar vormt wel een omstandigheid die aanleiding geeft om de wettelijke verhoging te matigen; zonder matiging zou de wettelijke verhoging uitwerken als een onevenredige sanctie op een onjuiste, maar (bezien vanuit de positie van [werkgever] ) op zichzelf niet onbegrijpelijke veronderstelling. Deze omstandigheid geeft aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot maximaal 20% van het achterstallige loon.
Wettelijke rente
4.20.
De over het achterstallig loon en wettelijke verhoging verzochte wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zal als onbetwist en op de wet gegrond worden toegewezen vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
4.21.
[werkgever] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom, de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.181,47
4.22.
Nu de tegenvordering is voortgevloeid uit het verweer in conventie en er overigens in reconventie niet of nauwelijks inhoudelijk debat heeft plaatsgehad, ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van de procedure in reconventie te compenseren zodat elk van partijen de eigen kosten draagt.
4.23.
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
In conventie:
5.1.
verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 31 mei 2025,
5.2.
veroordeelt [werkgever] hoofdelijk om aan [werknemer] te betalen het loon van € 2.357,33 bruto per maand vanaf 1 december 2024 tot 14 april 2025, minus het reeds betaalde loon over december 2024 van € 1.450,- netto, vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW van 20% over de loonbedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de loonbedragen en de wettelijke verhoging, vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [werkgever] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.181,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie:
5.6.
wijst de vordering van [werkgever] af,
5.7.
bepaalt dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2025.