Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van een vennootschap die vastgoed beheert. Na juridische procedures en beslagleggingen hebben de kinderen van belanghebbende geldleningen verstrekt aan de vennootschap. Belanghebbende stelt dat hij zich informeel garant heeft gesteld voor deze leningen en dat hij deze heeft overgenomen, wat een informele kapitaalstorting zou betekenen en de verkrijgingsprijs van zijn aandelen zou verhogen.
De inspecteur betwist dit en stelt dat belanghebbende niet heeft gehandeld als aandeelhouder maar als privé persoon. De rechtbank toetst dit aan jurisprudentie van de Hoge Raad en concludeert dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een informele kapitaalstorting. De geldleningsovereenkomsten tonen geen garantstelling en belanghebbende heeft niet overtuigend kunnen aantonen dat hij vanuit aandeelhoudersmotieven heeft gehandeld.
De rechtbank oordeelt dat het verlies uit aanmerkelijk belang in de aanslag IB/PVV 2019 correct is vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. De belastingrente blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.