Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen aanslagen forensenbelasting over de jaren 2020 en 2021. De heffingsambtenaar verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk omdat zij niet tijdig waren ingediend. De rechtbank bevestigt dit oordeel en stelt vast dat de bezwaren te laat zijn ingediend en dat het te laat indienen niet verontschuldigbaar is.
De termijn voor het indienen van bezwaren was zes weken na dagtekening van de aanslagen, die op 31 december 2020 en 31 december 2021 waren gedateerd. Belanghebbende diende haar bezwaren pas op 3 maart 2023 in, ruim na het verstrijken van de termijn. De door belanghebbende aangevoerde vertraging door de coronapandemie wordt door de rechtbank als een te algemene en onvoldoende reden beoordeeld om het verzuim te verontschuldigen.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van omstandigheden die belanghebbende verhinderden om tijdig bezwaar te maken. Daarnaast verklaart de rechtbank zich onbevoegd om te oordelen over de ambtshalve beslissingen van de heffingsambtenaar die niet voor bezwaar en beroep vatbaar zijn. De beroepen worden daarom ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand.