ECLI:NL:RBZWB:2025:6486
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens te vroeg ingesteld beroep tegen aanmaningskosten
Belanghebbende maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting en aanmaningskosten. Na diverse uitspraken op bezwaar verklaarde de ontvanger het bezwaar tegen de aanmaningskosten gegrond en kende een kostenvergoeding toe. Belanghebbende stelde echter te vroeg beroep in tegen deze aanmaningskosten, namelijk vóór de uitspraak op bezwaar was gedaan.
De rechtbank oordeelt dat het beroep prematuur was omdat de beroepstermijn pas begon te lopen na de uitspraak op bezwaar van 13 juli 2023. Hierdoor kon de ontvanger niet worden geacht aan het beroep tegemoet te zijn gekomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Belanghebbende voerde aan dat de Belastingdienst verwarring had veroorzaakt door meerdere uitspraken op één bezwaarschrift, maar de rechtbank achtte dit onvoldoende om het te vroege beroep te rechtvaardigen. Ook een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat het geschil over de aanmaningskosten op 13 juli 2023 was beëindigd.
De rechtbank betreurt het dat de uitspraak over het verzoek om proceskostenvergoeding vertraagd was, maar wijst het verzoek af. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink op 29 september 2025.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding wordt afgewezen omdat het beroep te vroeg was ingesteld.