Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking en aanslag OZB 2023 voor een object te een plaats. De heffingsambtenaar heeft niet binnen de wettelijke termijn van het kalenderjaar 2023 op het bezwaar beslist. Na ingebrekestelling op 22 januari 2024 volgde geen besluit, waarna belanghebbende op 25 juni 2024 beroep instelde wegens niet tijdig beslissen.
De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar niet heeft gereageerd op verzoeken tot reactie en nog steeds geen besluit heeft genomen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de heffingsambtenaar opgedragen binnen twee weken alsnog te beslissen. Tevens wordt een dwangsom van €50 per dag opgelegd, met een maximum van €7.500.
Omdat inmiddels meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling, stelt de rechtbank vast dat de maximale dwangsom van €1.442 is verbeurd. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende, begroot op €113,38, en draagt op het betaalde griffierecht te vergoeden.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 7 februari 2025. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.