AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken machtiging en niet vermelden beroepsgronden
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-beschikking over 2024 van een onroerend goed. De rechtbank Oost-Brabant verwees de zaak door naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in het beroepschrift geen gronden vermeld waarop het beroep is gebaseerd. De rechtbank heeft gemachtigde meerdere malen verzocht dit te herstellen, maar binnen de gestelde termijnen zijn geen beroepsgronden ingediend. Er is geen verontschuldiging voor het verzuim gegeven.
Op grond van artikel 6:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren als de gronden niet worden vermeld en het verzuim niet wordt hersteld. De rechtbank verklaart daarom het beroep niet-ontvankelijk, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen van dit verzuim.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7642
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 september 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank Oost-Brabant. De rechtbank Oost-Brabant heeft in haar uitspraak op 6 november 2024 de zaak verwezen naar rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking van het object [adres] te [plaats] over het jaar 2024.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gemachtigde de gronden van het beroep niet heeft vermeld en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. [1] Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 vanPro de Awb niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Heeft belanghebbende de gronden tijdig vermeld?
4. Gemachtigde heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft gemachtigde in haar bericht van 25 november 2024 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. De griffier heeft vervolgens op 27 januari 2025 in het digitaal dossier van gemachtigde een bericht geplaatst. Gemachtigde is hierbij nogmaals in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen twee weken na dagtekening van het bericht te herstellen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan de gemachtigde van belanghebbende verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat gemachtigde dit bericht op 27 januari 2025 heeft ontvangen. [3] Gemachtigde heeft binnen die termijn geen gronden ingediend.
Is het niet tijdig vermelden van de gronden verontschuldigbaar?
5. Gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.M. Rosta, griffier, op 1 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Voetnoten
1.Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.