Belanghebbende verzocht om teruggaaf van betaalde bpm naar aanleiding van de uitvoer van een personenauto naar Duitsland. De inspecteur wees dit verzoek af omdat de auto slechts tijdelijk in Duitsland was geregistreerd en Duitsland niet als definitieve EU-lidstaat bestemming kon worden aangemerkt.
De rechtbank behandelde het beroep en concludeerde dat de voorwaarden van artikel 14a van de Wet bpm en artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit bpm niet waren vervuld. De auto was tijdelijk ingeschreven tot 15 december 2023, zonder bewijs van een daaropvolgende reguliere inschrijving in een EU- of EER-lidstaat.
De rechtbank oordeelde dat teruggaaf bpm alleen mogelijk is indien sprake is van een definitieve inschrijving in een EU-lidstaat of EER-staat. De tijdelijke inschrijving voldeed niet aan deze eis, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard en de afwijzing van de inspecteur werd bevestigd.