ECLI:NL:RBZWB:2025:695

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2025
Publicatiedatum
11 februari 2025
Zaaknummer
BRE 23/3340
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen intrekking uitstel betaling conserverende aanslag na betaling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 10 februari 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over het beroep van belanghebbenden tegen de intrekking van uitstel van betaling van een conserverende aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) uit 2019.

De ontvanger van de Belastingdienst had in oktober 2019 uitstel van betaling verleend voor een conserverende aanslag die verband hield met de emigratie van erflater naar Malta. In oktober 2022 werd dit uitstel ingetrokken. Belanghebbenden betaalden het openstaande bedrag in oktober 2022, voordat zij bezwaar maakten tegen de intrekkingsbeschikking. De ontvanger verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbenden beroep instelden.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat de aanslag door de betaling was voldaan en het bezwaar hen niet in een betere positie kon brengen. De rechtbank hoefde daarom niet te beoordelen of de intrekking van het uitstel terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het intrekkingsbesluit bleef in stand.

De uitspraak benadrukt dat betaling van een conserverende aanslag de vordering van de ontvanger tenietdoet, waardoor bezwaar tegen intrekking van uitstel zinloos wordt. Tevens werd opgemerkt dat de bestuursrechter alleen kan oordelen over het bestreden besluit, in dit geval de intrekkingsbeschikking, en niet over de vraag of de betaling onverschuldigd was.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van het uitstel van betaling is ongegrond verklaard omdat de aanslag al was voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2025 in de zaak tussen

[belanghebbenden] , belanghebbenden

(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ),
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbenden tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 3 mei 2023.
1.1.
De ontvanger heeft middels een voor bezwaar vatbare beschikking (de intrekkingsbeschikking) besloten tot intrekking van uitstel van betaling voor een conserverende aanslag die opgelegd was aan de heer [erflater] (erflater).
1.2.
De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbenden ongegrond verklaard.
1.3.
De ontvanger heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarna hebben zowel de ontvanger als belanghebbenden nadere stukken ingediend, die in afschrift naar de andere partij zijn doorgestuurd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van belanghebbenden en namens de ontvanger [naam 1] , mr. [naam 3] , mr. [naam 4] , mr. [naam 5] en mr. [naam 6] . Op deze zitting is gelijktijdig, maar niet gevoegd, de zaak ten aanzien van [naam 2] met nummer 23/3341 behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het op 29 oktober 2019 verleende uitstel van betaling ten onrechte is ingetrokken middels de intrekkingsbeschikking. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbenden.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de ontvanger het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren
.Dit betekent dat de ontvanger het bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard, maar ook dat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of het verleende uitstel van betaling ten onrechte is ingetrokken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Erflater is in 2015 naar Malta geëmigreerd.
3.1.
Op 25 oktober 2019 legt de inspecteur een conserverende aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 (IB/PVV) op aan erflater in verband met de emigratie naar Malta. De conserverende aanslag heeft betrekking op een resultaat uit aanmerkelijk belang dat op het moment van dagtekening nog niet was gerealiseerd.
3.2.
Op 29 oktober 2019 verleent de ontvanger uitstel van betaling ten aanzien van de conserverende aanslag.
3.3.
Op 12 mei 2021 vervreemdt erflater de aandelen die tot op dat moment kwalificeerden als een aanmerkelijk belang.
3.4.
Op 12 oktober 2022 trekt de ontvanger het verleende uitstel van betaling in middels de intrekkingsbeschikking.
3.5.
Op 24 oktober 2022 voldoen belanghebbenden het te betalen bedrag van de conserverende aanslag.
3.6.
Op 15 november 2022 maken belanghebbenden bezwaar tegen de intrekkingsbeschikking. Zoals vermeld onder 1.2, wordt dit bezwaar op 3 mei 2023 ongegrond verklaard.

Motivering

4. Belanghebbenden stellen dat zij recht hebben op het voortduren van het verleende uitstel van betaling en dat de intrekking van dit uitstel ten onrechte is geweest. De ontvanger stelt dat de betaling van de conserverende aanslag met zich meebrengt dat de aanslag en de daaruit volgende vordering door de betaling definitief teniet zijn gegaan. De ontvanger stelt daarom dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
4.1.
De rechtbank constateert dat belanghebbenden de conserverende aanslag al hebben betaald voordat zij bezwaar maakten tegen de intrekkingsbeschikking. De vordering die de ontvanger had op basis van die conserverende aanslag is daarmee voldaan. De door belanghebbenden bepleitte vernietiging van de intrekkingsbeschikking om uitstel van betaling te behouden is daarmee zinloos, nu de betaling feitelijk niet meer uitgesteld kan worden.
4.2.
Het door belanghebbenden gemaakte bezwaar kan hen daarmee niet in een betere positie brengen, omdat de vastgestelde belastingschuld al was voldaan. De ontvanger had het bezwaar daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren.
4.3.
Voor zover belanghebbenden stellen dat onverschuldigd is betaald, kan deze stelling hen niet baten. De bestuursrechter kan slechts uitspraak doen ten aanzien van het bestreden besluit, in dit geval de intrekkingsbeschikking. Aangezien de intrekkingsbeschikking slechts ziet op de intrekking van het verleende uitstel van betaling, kan de rechtbank alleen daarover oordelen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Het gevolg is dat het intrekkingsbesluit in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.P.A. Brakeboer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van de Langerijt-Suurmeijer, griffier, op 10 februari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.