De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 10 februari 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over het beroep van belanghebbenden tegen de intrekking van uitstel van betaling van een conserverende aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) uit 2019.
De ontvanger van de Belastingdienst had in oktober 2019 uitstel van betaling verleend voor een conserverende aanslag die verband hield met de emigratie van erflater naar Malta. In oktober 2022 werd dit uitstel ingetrokken. Belanghebbenden betaalden het openstaande bedrag in oktober 2022, voordat zij bezwaar maakten tegen de intrekkingsbeschikking. De ontvanger verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbenden beroep instelden.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat de aanslag door de betaling was voldaan en het bezwaar hen niet in een betere positie kon brengen. De rechtbank hoefde daarom niet te beoordelen of de intrekking van het uitstel terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het intrekkingsbesluit bleef in stand.
De uitspraak benadrukt dat betaling van een conserverende aanslag de vordering van de ontvanger tenietdoet, waardoor bezwaar tegen intrekking van uitstel zinloos wordt. Tevens werd opgemerkt dat de bestuursrechter alleen kan oordelen over het bestreden besluit, in dit geval de intrekkingsbeschikking, en niet over de vraag of de betaling onverschuldigd was.