Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels, verbonden aan Bartels Consultancy)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een winkelruimte en de daarbij behorende aanslagen onroerendezaakbelastingen en watersysteemheffing. De heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €573.000 per 1 januari 2023 en weigerde het bezwaar.
De rechtbank behandelde het beroep in twee zittingen, waarbij onder meer een taxatierapport van een deskundige werd ingediend. Belanghebbende voerde aan dat de vergelijkingsobjecten niet vergelijkbaar waren en dat het pand in slechte staat was, bijna rijp voor sloop. De heffingsambtenaar had dit laatste reeds meegenomen door een neerwaartse correctie van 40% toe te passen.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de waardebepaling en dat de gebruikte vergelijkingsobjecten, hoewel minder goed vergelijkbaar, acceptabel waren gezien het ontbreken van betere referenties. De waarde werd niet te hoog geacht. Tevens werd het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen omdat de termijn niet was overschreden.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de aanslagen bleven gehandhaafd en belanghebbende kwam niet in aanmerking voor vergoeding van proceskosten of immateriële schade.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslagen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.