ECLI:NL:RBZWB:2025:6992

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
16 oktober 2025
Zaaknummer
24/5898
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.4 WooArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op Woo-verzoek over FSV-informatie

Eiser heeft op 10 juni 2024 een verzoek ingediend bij de staatssecretaris van Financiën op grond van de Wet open overheid (Woo) om informatie te verkrijgen over het voorkomen van zijn persoon en zijn voormalige onderneming in de Fiscale Strafbaarstellingen (FSV). De staatssecretaris heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken beslist, waardoor eiser op 6 augustus 2024 een ingebrekestelling heeft gestuurd.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 oktober 2025 het beroep van eiser behandeld. Tijdens een regiezitting op 5 juni 2025 is gesproken over het grote aantal beroepen dat eiser heeft ingediend wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris het besluit alsnog moet nemen, maar gelet op de bijzondere omstandigheden een langere beslistermijn van zes weken krijgt.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de staatssecretaris de nieuwe beslistermijn overschrijdt. Tevens moet de staatssecretaris het griffierecht van €187 aan eiser vergoeden. Het beroep wordt daarmee kennelijk gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een termijn van zes weken en een dwangsom op aan de staatssecretaris om alsnog te beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5898

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser
en

De Staatssecretaris van Financiën, de staatssecretaris.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de staatssecretaris volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser heeft dit verzoek gedaan op 10 juni 2024. Hij heeft verzocht om informatie die ziet op het voorkomen van zijn persoon dan wel zijn voormalige onderneming ([onderneming]) in de FSV.
1.1.
Op 5 juni 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden waarbij met partijen onder meer gesproken is over het grote aantal beroepen niet tijdig beslissen dat door eiser is ingediend. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en mr. R.P. Vaarnold, de gemachtigde van de staatssecretaris.
1.2.
Bij brief van 7 augustus 2025 heeft de staatssecretaris de rechtbank verzocht om in dit beroep zonder nadere zitting uitspraak te doen. Eiser heeft hiervoor ook toestemming gegeven.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft zijn verzoek ingediend op 10 juni 2024. De staatssecretaris moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag. [2] Dat staat in artikel artikel 4.4, eerste lid van de Woo. De staatssecretaris had dus uiterlijk op 8 juli 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen de staatssecretaris moet beslissen is inmiddels ruimschoots voorbij. Eiser heeft de staatssecretaris op 6 augustus 2024 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.

Welke beslistermijn moet aan de staatssecretaris worden opgelegd?

4. Omdat de staatssecretaris nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de staatssecretaris dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. De staatssecretaris heeft uitgelegd dat hij gelet op het vele aantal procedures van eiser meer tijd nodig heeft. De rechtbank vindt dat een goede reden. De staatssecretaris moet daarom het besluit nemen binnen zes weken na het verzenden van de uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan de staatssecretaris opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de staatssecretaris de onder 4.1 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de staatssecretaris de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7. Omdat het beroep gegrond is moet de staatssecretaris het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de staatssecretaris op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 16 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Dit staat in artikel artikel 4.4, eerste lid van de Woo