Eiser heeft op 13 september 2024 een aanvraag ingediend waarop de staatssecretaris niet tijdig heeft beslist. Eiser stelde op 2 november 2024 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. Tijdens de procedure nam de staatssecretaris op 14 november 2024 alsnog een besluit. Hierdoor verloor eiser het procesbelang bij het beroep, aangezien het doel van het beroep – het verkrijgen van een besluit – inmiddels was bereikt.
De rechtbank oordeelt dat het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. Tevens bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris het betaalde griffierecht van €187,- aan eiser moet vergoeden, omdat het beroep door het genomen besluit overbodig is geworden.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 oktober 2025, na een regiezitting op 5 juni 2025 en zonder nadere zitting. Partijen hebben ingestemd met een uitspraak zonder verdere mondelinge behandeling.
Eiser kan tegen deze uitspraak binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.