ECLI:NL:RBZWB:2025:7000

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
16 oktober 2025
Zaaknummer
24/5814
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens besluit na beroep op niet tijdig beslissen Woo-verzoek

Eiser heeft op 27 mei 2024 een verzoek ingediend bij de staatssecretaris van Financiën op grond van de Wet open overheid (Woo). Na het uitblijven van een tijdige beslissing heeft eiser op 15 juli 2024 een ingebrekestelling gestuurd en vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank wegens niet tijdig beslissen.

Tijdens een regiezitting op 5 juni 2025 is het grote aantal vergelijkbare beroepen besproken. De staatssecretaris heeft op 8 augustus 2024 alsnog een besluit genomen, na het instellen van het beroep. Hierdoor heeft eiser geen procesbelang meer bij de beoordeling van het beroep.

De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is en bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van €187,- aan eiser moet vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert op 16 oktober 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat na het instellen van het beroep alsnog een besluit is genomen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5814

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser
en

De Staatssecretaris van Financiën, de staatssecretaris.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de staatssecretaris volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser heeft dit verzoek gedaan op 27 mei 2024.
1.1.
Op 5 juni 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden waarbij met partijen onder meer gesproken is over het grote aantal beroepen niet tijdig beslissen dat door eiser is ingediend. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en mr. R.P. Vaarnold, de gemachtigde van de staatssecretaris.
1.2.
Bij brief van 7 augustus 2025 heeft de staatssecretaris de rechtbank verzocht om in dit beroep zonder nadere zitting uitspraak te doen. Eiser heeft hiervoor ook toestemming gegeven.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft op 15 juli 2024 beroep ingesteld. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris na het instellen van het beroep – op 29 augustus 2024 – alsnog een besluit heeft genomen, namelijk op 8 augustus 2024. Eiser heeft geen procesbelang meer. Dit houdt in dat eiser nu geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
3.1.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Omdat het besluit genomen is na het instellen van het beroep moet de staatssecretaris het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 16 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).