ECLI:NL:RBZWB:2025:7002

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
16 oktober 2025
Zaaknummer
25/1131
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 6:13 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door staatssecretaris Financiën

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de staatssecretaris van Financiën en stelt dat de staatssecretaris niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist op zijn bezwaar van 15 december 2024. De rechtbank beoordeelt dit beroep op niet tijdig beslissen en constateert dat de beslistermijn van zes weken, die eindigde op 28 januari 2025, is overschreden. Eiser heeft de staatssecretaris op 30 januari 2025 in gebreke gesteld, waarna twee weken zijn verstreken zonder dat een besluit is genomen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Op grond van artikel 8:55d Awb legt de rechtbank een termijn op waarbinnen de staatssecretaris alsnog een besluit moet nemen. Gezien de bijzondere omstandigheden en het grote aantal procedures waarin eiser betrokken is, wordt een termijn van zes weken na verzending van de uitspraak gegeven. Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de staatssecretaris de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.

De staatssecretaris wordt tevens verplicht het griffierecht van €194 aan eiser te vergoeden. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt op binnen de gestelde termijn alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert en griffier A. Lemaire op 16 oktober 2025.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de staatssecretaris een termijn en dwangsom op om alsnog te beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1131

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser
en

de Staatssecretaris van Financiën, de staatssecretaris.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de staatssecretaris volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 15 december 2024.
1.1.
Op 5 juni 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden waarbij met partijen onder meer gesproken is over het grote aantal beroepen niet tijdig beslissen dat door eiser is ingediend. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en mr. R.P. Vaarnold, de gemachtigde van de staatssecretaris.
1.2.
Bij brief van 7 augustus 2025 heeft de staatssecretaris de rechtbank verzocht om in dit beroep zonder nadere zitting uitspraak te doen. Eiser heeft hiervoor toestemming gegeven.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 15 december 2024. De staatssecretaris moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is
. [2] De staatssecretaris had dus uiterlijk op 28 januari 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen de staatssecretaris moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft de staatssecretaris op 30 januari 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan de staatssecretaris worden opgelegd?
4. Omdat de staatssecretaris nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de staatssecretaris dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. De staatssecretaris heeft uitgelegd dat hij extra tijd nodig heeft vanwege de vele procedures, waarin eiser bezwaar of beroep heeft ingesteld. De rechtbank vindt dat een goede reden. De staatssecretaris moet daarom het besluit nemen binnen zes weken na het verzenden van de uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan de staatssecretaris opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de staatssecretaris de onder 4.1 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de staatssecretaris de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de staatssecretaris het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de staatssecretaris op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 16 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit staat in artikel 7:10 en Pro 7:13 van de Awb.