ECLI:NL:RBZWB:2025:7055

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
BRE 25/2065
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:104 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek geheimhouding jaaroverzicht omzetbelasting derde rechtspersoon

De inspecteur van de Belastingdienst heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om geheimhouding van een stuk, te weten het jaaroverzicht 2022 omzetbelasting, op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit stuk bevat gegevens van een derde rechtspersoon en is overgelegd in het kader van een geschil over een naheffingsaanslag omzetbelasting aan belanghebbende.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het verzoek om geheimhouding. De geheimhoudingskamer heeft besloten geen zitting te houden, omdat belanghebbende zich schriftelijk voldoende heeft kunnen uitlaten. De kamer heeft het stuk beoordeeld en afgewogen of het belang van belanghebbende bij volledige inzage zwaarder weegt dan het belang van de derde rechtspersoon bij geheimhouding.

De kamer concludeert dat het stuk geen gegevens over belanghebbende bevat maar uitsluitend over de derde rechtspersoon, en dat openbaarmaking onevenredige belangen van deze derde zou schaden. Daarom wordt het verzoek om geheimhouding toegewezen. Tegen deze beslissing kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de hoofdzaak.

Uitkomst: Het verzoek om geheimhouding van het jaaroverzicht omzetbelasting 2022 van een derde rechtspersoon wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2065
beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Het verzoek

1. De inspecteur heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend en bij brief van 23 juni 2025 een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Awb gedaan. In de brief is het verzoek om geheimhouding toegelicht. Bij de brief heeft de inspecteur een gesloten enveloppe overgelegd met daarin een stuk dat volgens hem geheimgehouden moet worden. Het stuk is te omschrijven als ‘Jaaroverzicht 2022 omzetbelasting’. De rechtbank heeft een afschrift van het verweerschrift en van de begeleidende brief aan belanghebbende verstrekt. De hoofdzaak ziet kortgezegd op de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak juli 2022 tot en met september 2022 die aan belanghebbende is opgelegd.
1.1.
De inspecteur heeft als redenen voor het verzoek aangevoerd de bescherming van de privacy van derden en de geheimhoudingsplicht van de inspecteur in dat verband.
1.2.
Bij brieven van 5 augustus 2025 en 31 augustus 2025 heeft belanghebbende gereageerd op het verzoek om geheimhouding en verklaard niet akkoord te gaan met geheimhouding van het stuk.

Overwegingen

Geen zitting
2. De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. [1] De geheimhoudingskamer komt tot dit oordeel omdat belanghebbende zich voldoende op schrift heeft kunnen uitlaten over de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding.
Kader voor beoordeling
2.1.
De omstandigheid dat een stuk behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van Pro de Awb brengt in beginsel met zich dat dit stuk in zijn geheel en ongeschoond dient te worden overgelegd. Hetgeen is bepaald in artikel 8:29 van Pro de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van (delen van) stukken te weigeren (geheimhouding) of de geheimhoudingskamer mede te delen dat uitsluitend de rechter die de hoofdzaak beslist (de hoofdkamer) kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).
2.2.
Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen) van die stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
Beoordeling van het verzoek
2.3.
De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de beoordeling of een stuk is aan te merken als een op de zaak betrekking hebbend stuk in de zin van artikel 8:42 van Pro de Awb en door de inspecteur moet worden overgelegd toebehoort aan de hoofdkamer. In het onderstaande toetst de geheimhoudingskamer alleen of geheimhouding van het geheimgehouden stuk gerechtvaardigd is, waarbij wordt verondersteld dat het stuk een op de zaak betrekking hebbend stuk is.
2.4.
De geheimhoudingskamer heeft kennisgenomen van het geheimhouden stuk. Het stuk is vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover de afweging van de inspecteur om het stuk geheim te houden.
2.5.
Het stuk ziet volledig op een derde rechtspersoon en haar aangiftegegevens omzetbelasting over het jaar 2022, zoals de per tijdvak aangegeven omzetbelasting en als voorbelasting in aftrek gebrachte omzetbelasting. Het stuk bevat geen gegevens over belanghebbende. Het verzoek om geheimhouding van het stuk wordt toegewezen omdat het zonder beperkte kennisneming overleggen van het stuk met zich brengt dat de belangen van de derde rechtspersoon onevenredig in het gedrang komen of worden geschaad. Het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming weegt in dit geval minder zwaar dan het belang bij geheimhouding.

Beslissing

De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding toe.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 20 oktober 2025. De beslissing is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.31.