Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €9.178 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht is opgelegd en of belanghebbende recht heeft op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is vastgesteld. De door belanghebbende aangevoerde lagere handelsinkoopwaarde en hogere schadecorrectie zijn onvoldoende onderbouwd. De inspecteur heeft de waarde op basis van een taxatierapport van Domeinen Roerende Zaken vastgesteld, wat door de rechtbank als betrouwbaar wordt beschouwd. Het beroep op een huurverleden van de auto wordt verworpen wegens gebrek aan bewijs.
Wel wordt belanghebbende een immateriële schadevergoeding toegekend vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van circa 19 maanden in bezwaar- en beroepsfase. De vergoeding wordt verdeeld over meerdere samenhangende zaken, waarbij in deze zaak €85 aan de inspecteur en €315 aan de Staat wordt toegekend. Daarnaast krijgt belanghebbende een proceskostenvergoeding van €932,40. Het beroep wordt verder ongegrond verklaard.