ECLI:NL:RBZWB:2025:7327
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanslag inkomstenbelasting saldolijfrenteverzekering en geschonden hoorrecht
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2020, waarbij de inspecteur de waarde van een saldolijfrenteverzekering in box 1 had vastgesteld op €251.830. De rechtbank constateert dat het hoorrecht van belanghebbende is geschonden omdat zij niet vooraf is gehoord, maar dat dit geen nadelige gevolgen heeft gehad omdat er geen verschil van mening over de feiten bestaat en de inspecteur geen beleidsvrijheid heeft bij de waardering.
De kern van het geschil betreft de waardering van de saldolijfrenteverzekering. Belanghebbende stelde dat de waarde niet hoger kon zijn dan de box 3-waarde per 1 januari 2021 (€160.404) of de indicatieve afkoopwaarde (€191.030). De inspecteur baseerde zich op een actuariële berekening van de verzekeraar, die volgens de rechtbank een redelijke en niet-willekeurige schatting vormt. Belanghebbende heeft niet voldoende bewijs geleverd om deze waarde aan te vechten.
Verder stelde belanghebbende dat de heffing een individuele en buitensporige last vormde, maar de rechtbank oordeelt dat dit niet aannemelijk is gemaakt. Hoewel de aanslag tot liquiditeitsproblemen kan leiden, geldt dit ook voor andere belastingplichtigen in vergelijkbare situaties en is een betalingsregeling mogelijk. De aanslag en belastingrentebeschikking blijven daarom in stand.
De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten wegens de schending van het hoorrecht, maar verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting en belastingrente blijven in stand.