Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:7514

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
BRE 24/5443
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet OBArt. 15 Wet OB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op teruggaaf omzetbelasting over kosten bestuursdwang afvalverwerking

Belanghebbende, een ondernemer die bedrijfsruimten verhuurde, werd aansprakelijk gesteld door het college van Gedeputeerde Staten Limburg voor opruimingskosten van het verhuurde terrein na het faillissement van de huurder. Het college schakelde een afvalverwerkingsbedrijf in en verhaalde de kosten, inclusief omzetbelasting, op belanghebbende.

Belanghebbende vorderde teruggaaf van de omzetbelasting die op de facturen van het afvalverwerkingsbedrijf stond vermeld, stellende dat zij afnemer was van de prestatie en dat de omzetbelasting als voorbelasting in aftrek kon worden gebracht. De inspecteur wees het bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank overwoog dat de dienst was verleend aan het college, dat een rechtsbetrekking had met het afvalverwerkingsbedrijf, en niet aan belanghebbende. Het feit dat het college de kosten op belanghebbende verhaalde, veranderde hier niets aan. Ook het beroep op het leerstuk van doorlopende posten werd verworpen omdat het college zelfstandig had gehandeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de uitspraak op bezwaar in stand.

Uitkomst: Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van omzetbelasting over de facturen van het afvalverwerkingsbedrijf.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5443

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. A.T.P. Nefkens),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 mei 2024.
1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 10 november 2023 bij beschikking aan belanghebbende een teruggaaf omzetbelasting verleend van € 615 over het tijdvak juli 2023 tot en met september 2023 (hierna: de teruggaafbeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, [naam] en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van het bedrag aan omzetbelasting van € 39.295,36 dat staat vermeld op de facturen van het afvalverwerkingsbedrijf (zie hierna in 3.2). Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen recht op teruggaaf van de omzetbelasting die staat vermeld op de facturen van het afvalverwerkingsbedrijf. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende is ondernemer in de zin van artikel 7 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Belanghebbende verhuurde bedrijfsruimten en terreinen aan een huurder. In de huurovereenkomst is geopteerd voor met omzetbelasting belaste verhuur. De huurder is in 2018 failliet verklaard.
3.1.
Na het faillissement van de huurder heeft het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg (hierna: het college) belanghebbende aansprakelijk gesteld voor de opruimingskosten van het verhuurde terrein. Omdat binnen de gestelde termijn door belanghebbende geen uitvoering is gegeven aan de aan haar opgelegde last onder bestuursdwang, heeft het college zelf een afvalverwerkingsbedrijf ingeschakeld om de terreinen schoon te maken.
3.2.
Het afvalverwerkingsbedrijf heeft voor deze werkzaamheden twee facturen gestuurd van in totaal een bedrag van € 226.416,10, inclusief een bedrag van in totaal € 39.295,36 aan omzetbelasting. De facturen zijn gericht aan het college.
3.3.
Het college heeft de gemaakte kosten verhaald op belanghebbende. Belanghebbende heeft geprocedeerd tegen het besluit van het college om de kosten op haar te verhalen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 12 juli 2023 belanghebbende in het ongelijk gesteld. [1] Op 28 augustus 2023 heeft belanghebbende de betreffende kosten aan het college betaald.
3.4.
Belanghebbende heeft over de periode juli 2023 tot en met september 2023 aangifte omzetbelasting gedaan naar een te ontvangen bedrag van € 615. Tegen de daarop volgende teruggaafbeschikking heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, omdat volgens belanghebbende de omzetbelasting die op de facturen van het afvalverwerkingsbedrijf staat vermeld bij belanghebbende als voorbelasting in aftrek moet worden gebracht. De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen.

Motivering

4. Artikel 15 van Pro de Wet OB, voor zover hier van belang, bepaalt het volgende:
“1. De in artikel 2 bedoelde Pro belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is:
a. de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur;(…)”
4.1.
Belanghebbende heeft gesteld dat zij afnemer is van de prestatie en daardoor recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die staat vermeld op de facturen van het afvalverwerkingsbedrijf. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
4.2.
Een dienst wordt aan de ondernemer verleend, indien de ondernemer die de dienst verleent daarvoor met de ondernemer een rechtsbetrekking is aangegaan. Daaraan doet niet af dat een of meer anderen dan de ondernemer belang hebben of gebaat zijn bij de desbetreffende levering of dienst. [2]
4.3.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in zijn uitspraak van 12 juli 2023 onder andere het volgende bepaald:
“13. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. (…) Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
14. [appellant sub 1] betoogt tevergeefs dat (…) het college wegens bijzondere omstandigheden aanleiding had moeten zien om van handhavend optreden af te zien. (…) Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college met het oog op dit algemeen belang bij veiligheid voor de omgeving en bescherming van het milieu kunnen besluiten tot handhavend optreden tegen de geconstateerde overtredingen op de percelen. (…)
15.3 (…)
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de kosten van bestuursdwang redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van [appellant sub 1] zouden moeten komen. Het betoog slaagt niet. (…)”
4.4.
Gelet op deze overwegingen, is de rechtbank van oordeel dat het college in casu de verplichting had handhavend op te treden. Het college is daarvoor een rechtsbetrekking aangegaan met het afvalverwerkingsbedrijf. Gelet op het onder 4.2 overwogene, is naar het oordeel van de rechtbank daarmee de dienst aan het college verleend en niet aan belanghebbende. Dat de kosten door het college zijn verhaald op belanghebbende, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Belanghebbende had immers geen rechtsbetrekking met het afvalverwerkingsbedrijf.
4.5.
Belanghebbende heeft gesteld dat de omzetbelasting die staat vermeld op de facturen van het afvalverwerkingsbedrijf voor aftrek in aanmerking komt, omdat sprake is van het leerstuk van doorlopende posten. Volgens belanghebbende zorgt een behandeling als een doorlopende post ervoor dat de neutraliteit van de omzetbelasting niet wordt aangetast. De rechtbank begrijpt deze laatste stelling van belanghebbende zo, dat zij van mening is dat de omzetbelasting niet op haar als ondernemer mag drukken. De rechtbank volgt belanghebbende niet in deze stellingen. Het college heeft niet op naam van en voor rekening van belanghebbende gehandeld, maar heeft zelfstandig opdracht gegeven aan het afvalverwerkingsbedrijf. Van een doorlopende post is dan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Zoals eerder in deze uitspraak is overwogen, behoort een eventueel aftrekrecht toe aan de afnemer van de prestatie en dat is in het onderhavige geval het college en niet belanghebbende. Van een aantasting van de neutraliteit zoals belanghebbende stelt, is dan geen sprake.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft.
5.1.
Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende haar griffierecht niet vergoed. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier, op 3 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2705.
2.Hoge Raad 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1173.