Eiseres, een alleenstaande moeder met drie kinderen, diende een aanvraag in voor vergoeding van leerlingenvervoer voor het schooljaar 2023/2024 voor haar dochter. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle wees deze aanvraag af omdat de afstand tussen woning en school 5,3 kilometer bedroeg, terwijl de verordening een minimale afstand van zes kilometer vereist.
Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was ondanks de overschrijding van de beroepstermijn, omdat bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigden.
De rechtbank toetste vervolgens de afwijzing inhoudelijk. De hardheidsclausule, die in bijzondere gevallen afwijking mogelijk maakt, werd door het college niet toegepast. De rechtbank vond dat eiseres onvoldoende bijzondere omstandigheden had aangetoond die een afwijking rechtvaardigen, mede omdat haar situatie niet significant verschilde van andere alleenstaande ouders met beperkte netwerken.
De rechtbank concludeerde dat het college op goede gronden de aanvraag had afgewezen en dat het beroep ongegrond was. De verantwoordelijkheid voor het begeleiden van kinderen naar school ligt in beginsel bij de ouders, en de verordening en beleidsregels ondersteunen dit uitgangspunt.
De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert op 4 november 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.