ECLI:NL:RBZWB:2025:7662

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
24/8068
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2 Invorderingswet 1990Wet inkomstenbelasting 2001Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2023

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2023, waarin het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op basis van een forfaitair rendement. Zij stelt dat het werkelijke rendement moet worden gehanteerd, verwijzend naar het zogenoemde Kerstarrest.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op zitting waarbij belanghebbende niet is verschenen, ondanks tijdige uitnodiging. De rechtbank beoordeelt of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te hoog is vastgesteld en concludeert dat het forfaitaire inkomen na aftrek van het heffingsvrije vermogen lager is dan het werkelijke rendement, waardoor de aanslag niet te hoog is.

Daarnaast is een dwangsom toegekend wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. Omdat de maximale dwangsom al is toegekend, leidt het beroep hierop niet tot een gunstiger positie voor belanghebbende.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft de aanslag en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2023 blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8068

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 november 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur mr. drs. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] deelgenomen.
1.4.
Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 7 juli 2025 naar het [adres] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Aangezien uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 8 juli 2025 aan belanghebbende op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2023 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te hoog is vastgesteld. Zij doet dit aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
3. De rechtbank oordeelt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen niet te hoog is vastgesteld en de aanslag IB/PVV 2023 daarom niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het werkelijk rendement over het vermogen is hoger dan het forfaitaire rendement dat bij de aanslag in aanmerking is genomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2023 ingediend. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedraagt € 63 en de inkomstenbelasting daarover bedraagt € 20. De grondslag voor het voordeel uit sparen en beleggen bedraagt € 6.878 en is gebaseerd op de volgende gegevens: bank- en spaartegoeden € 120.878 (rendementsgrondslag) -/- heffingsvrij vermogen van € 114.000.
4.1.
De inspecteur heeft de definitieve aanslag IB/PVV 2023 overeenkomstig de aangifte vastgesteld.
4.2.
Belanghebbende heeft in bezwaar tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2023 de inspecteur in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op bezwaar. De inspecteur heeft vanwege het niet tijdig beslissen op bezwaar de maximale dwangsom van € 1.442 toegekend.

Motivering

Inkomen uit sparen en beleggen
5. Belanghebbende stelt dat het inkomen uit sparen en beleggen tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij beroept zich daarbij op het zogenoemde kerstarrest [1] en verzoekt de rechtbank uit te gaan van het werkelijke rendement bij de berekening van het inkomen uit sparen en beleggen.
5.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. Bij de vaststelling van het werkelijke rendement dient het gehele vermogen van belastingplichtige in box 3 te worden betrokken, zonder aftrek van het heffingsvrije vermogen. [2] Tussen partijen staat vast dat het werkelijk rendement € 1.068 bedraagt. Partijen houdt uitsluitend verdeeld of het werkelijk rendement lager is dan het forfaitair berekende rendement op basis van de Wet inkomstenbelasting 2001. Belanghebbende houdt bij de vergelijking met het forfaitaire rendement geen rekening met het heffingsvrije vermogen en stelt dat haar vermogen van € 120.878 leidt tot een forfaitair rendement van € 1.112. Dat is hoger dan het werkelijke rendement van € 1.068.
5.2.
De rechtbank volgt belanghebbende niet in deze berekeningswijze. Het heffingsvrije vermogen beïnvloedt immers de omvang van het forfaitair vast te stellen belastbare inkomen en is derhalve relevant voor de vergelijking. De rechtbank stelt vast dat het forfaitair berekende inkomen, na toepassing van het heffingsvrije vermogen, € 63 bedraagt. Dat is lager dan het werkelijke rendement. Het beroep op het zogenoemde Kerstarrest kan belanghebbende dan ook niet baten. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat als wordt uitgegaan van het door belanghebbende gestelde werkelijke rendement van € 1.068, de verschuldigde belasting € 342 zou bedragen. Dat bedrag ligt aanzienlijk hoger dan het bedrag van € 20 dat thans is geheven.
Dwangsom
5.3.
Voor zover belanghebbende stelt dat zij recht heeft op toekenning van een dwangsom, stelt de rechtbank vast dat de maximale dwangsom van € 1.442 al aan belanghebbende is toegekend voordat beroep is ingesteld. Nu de maximale dwangsom reeds is toegekend, kan deze grond belanghebbende niet in een gunstigere positie brengen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2023 in stand blijft en geen (extra) dwangsom wordt toegekend. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
2.Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, r.o. 5.4.2.