ECLI:NL:RBZWB:2025:7689

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
BRE 25/1386
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakInvorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over uitstel betaling erfbelasting 2021

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de beslissing van de ontvanger van de Belastingdienst om het verzoek om uitstel van betaling van de erfbelasting 2021 niet-ontvankelijk te verklaren. De ontvanger wees het bezwaar af, waarna belanghebbende in beroep ging bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd is om te oordelen over geschillen betreffende uitstel van betaling van belastingaanslagen, omdat deze niet onder de uitzonderingen vallen waarbij de belastingrechter wel bevoegd is. De directeur van de Belastingdienst is wel bevoegd om het beroepschrift als administratief beroep in behandeling te nemen.

Daarom verklaarde de rechtbank zich onbevoegd en droeg zij de directeur van de Belastingdienst op het beroepschrift te behandelen. Tevens kreeg belanghebbende het betaalde griffierecht terug. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en draagt het beroepschrift over aan de directeur van de Belastingdienst.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1386

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats], belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing op het verzoek om uitstel van betaling van de aanslag erfbelasting 2021 met [aanslagnummer] . De ontvanger heeft het bezwaar bij brief van 5 februari 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende komt hiertegen in beroep.
1.1.
De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Beoordeling door de rechtbank

2. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. Geschillen over uitstel van betaling vallen niet onder een van de uitzonderingen. De directeur van de Belastingdienst is wel bevoegd om te oordelen over de beslissing van de ontvanger. De rechtbank zal de directeur daarom opdragen om het beroepschrift als administratief beroep in behandeling te nemen. Indien het geschil dan nog niet is opgelost, kan het geschil over uitstel van betaling worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.

Conclusie en gevolgen

3. De belastingrechter is dus niet bevoegd een inhoudelijk oordeel te geven in deze zaak en draagt de directeur van de Belastingdienst op het beroepschrift als administratief beroep tegen de brief van de ontvanger van 5 februari 2025 in behandeling te nemen.
3.1.
Belanghebbende krijgt het griffierecht terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd;
  • draagt de directeur van de Belastingdienst op het beroepschrift als administratief beroep tegen de brief van de ontvanger van 5 februari 2025 in behandeling te nemen;
  • draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 53,- aan terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 10 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.