ECLI:NL:RBZWB:2025:7690

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
C/02/440150 / JE RK 25-1721
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp verlengd ondanks advies gedragswetenschapper

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant om de machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige te verlengen tot 17 april 2026. De minderjarige vertoont ernstig verstoord gedrag en is kwetsbaar, waardoor verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk wordt geacht.

De kinderrechter heeft de stukken bestudeerd, waaronder eerdere machtigingen en adviezen van een onafhankelijke gedragswetenschapper. De gedragswetenschapper stemde in met een machtiging van drie maanden, maar de kinderrechter vindt deze termijn te kort gelet op de belangen en het inzicht van de minderjarige zelf, die aangeeft langer gesloten hulp nodig te hebben.

De ouders en minderjarige hebben hun standpunten toegelicht. De moeder uit zorgen over de regievoering door de GI en de inzet van behandelmethoden, terwijl de minderjarige aangeeft klaar te zijn voor een behandeling maar nog niet sterk genoeg om zelfstandig te wonen. De kinderrechter benadrukt het belang van voortvarende regie door de GI en het tonen van vertrouwen door de ouders in de professionals.

De machtiging wordt daarom verlengd tot 17 april 2026, met de mogelijkheid tot tussentijdse beëindiging als de minderjarige klaar is voor een volgende stap. De GI wordt opgedragen proactief te werken aan behandeling, alternatieven en de begeleiding van omgang tussen minderjarige en vader.

Uitkomst: De machtiging voor gesloten jeugdhulp wordt verlengd tot 17 april 2026 met de opdracht aan de GI om voortvarend te werken aan behandeling en regie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440150 / JE RK 25-1721
Datum uitspraak: 20 oktober 2025
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. B.P.J. van Riel uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] .

1.Het nader verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van kinderrechter van deze rechtbank van 10 oktober 2025 en alle daarin vermelde stukken;
  • de brief met bijlagen van mr. Van Riel van 15 oktober 2025.
1.2.
De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 20 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met haar advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.
1.3.
[minderjarige] heeft voor de zitting in het bijzijn van haar advocaat gesproken met de kinderrechter.
2.
De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verbleef sinds 23 februari 2025 weer bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft laatstelijk bij beschikking van 24 april 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 24 april 2026 en heeft toen een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg dan wel accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van zes maanden. Bij beschikking van 9 juli 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Bij beschikking van 17 juli 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 17 juli 2025 tot 17 oktober 2025.
2.4.
Vanwege het feit dat de zitting was gepland op 20 oktober 2025, maar de voormelde machtiging gesloten jeugdhulp was verleend tot 17 oktober 2025 heeft de kinderrechter bij beschikking van 10 oktober 2025 (zonder het horen van belanghebbenden) een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 17 oktober 2025 tot 21 oktober 2025 en is het verzoek voor het overige aangehouden.
2.5.
Op grond van deze verleende machtiging verblijft [minderjarige] bij [jeugdzorg] in [plaats 2] .

3.Het verzoek

3.1.
Aan de orde is het verzoek van de GI om een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 17 april 2026.

4.De standpunten

De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek aangegeven dat het nog steeds noodzakelijk is dat [minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp zal verblijven. Bij [minderjarige] is er sprake van een ernstig verstoorde ontwikkeling. Ze vertoont zelfbepalend, risicovol en impulsief gedrag. Er is al jarenlang sprake van een strijd tussen de ouders. [minderjarige] heeft onder andere daardoor moeite met het accepteren van gezag. Het is tussen [minderjarige] en de moeder meerdere keren fors geëscaleerd. Ook op de open groep bij Sterk Huis heeft [minderjarige] gezorgd voor escalaties. Ze liep ook weg en brengt zichzelf in onveilige situaties, door bijvoorbeeld seksueel contact te hebben. [minderjarige] is erg kwetsbaar en daardoor een prooi voor de verkeerde jongens. Ze zoekt voortdurend bevestiging, aandacht en erkenning. Ze heeft een groot verlangen om gezien en geliefd te worden. Er is bij haar sprake van een disharmonisch, laaggemiddeld intelligentieniveau. Ze is verbaal sterk, maar overziet situaties vaak niet, waardoor ze de verkeerde conclusies trekt of ineffectieve keuzes maakt. Ze lijkt sociaal-emotioneel achter te lopen en wordt daardoor snel overvraagd. [minderjarige] heeft de duidelijke kaders, nabijheid en ondersteuning nodig van de gesloten jeugdhulp. Er is in de afgelopen maanden een periode van observatie en stabilisatie geweest. [minderjarige] krijgt nu ervaringsleer. [jeugdzorg] zal PMT of muziektherapie gaan inzetten. Door de afwezigheid van de behandelaar is dat nog niet gebeurd. De gedeelde verklarende analyse (GVA) zal ingezet worden om meer zicht te krijgen op de problematiek in het systeem. De moeder heeft hiervoor al de benodigde documenten aangeleverd. De vader was er eerst niet mee eens, maar heeft recent aangegeven wel mee te willen werken. De jeugdbeschermer is ook nog afhankelijk van de bereikbaarheid van de behandelaar van [jeugdzorg] . [minderjarige] en de ouders zijn daarnaast aangemeld voor MST-CAN. De moeder heeft een intakegesprek gehad. De jeugdbeschermer heeft vrijwel iedere week contact met de vader om te spreken over de noodzaak en het belang om mee te werken. De aanvraag van MST-CAN heeft vertraging gehad, mede doordat de hulpaanbieder eerst dit niet wilde doen omdat [minderjarige] niet thuis woont. [minderjarige] zal echter op verlof bij de moeder gaan en dan is de inzet van MST-CAN wel nodig. MST-CAN heeft bij de GI toegezegd dat zij kunnen starten. Er is op vrijdag een overleg met MST-CAN. De jeugdbeschermer heeft de ouders hiervoor gevraagd. De GI heeft nog geen alternatief plan als dit niet door kan gaan. De samenwerking met de ouders gaat moeizaam; de vader is niet altijd in contact en bij de moeder wordt bemerkt dat ze een wantrouwende houding heeft. Er zal door de GI ook gekeken worden naar de wens van [minderjarige] voor een eigen ambulant begeleider. Er is vorige week gesproken met de mentor van [minderjarige] over aanpassingen op school. De GI vindt, gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] , het zorgelijk dat zij in de gesloten jeugdhulp verblijft. Desondanks vindt de GI een periode van zes maanden nog noodzakelijk om de benodigde hulpverlening in te kunnen zetten.
4.1.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de GI onvoldoende regie voert en er sprake is van een incident-gevolg beleid in plaats van een toekomstgerichte visie. Er wordt onvoldoende onderzoek gedaan, de vader wordt onvoldoende gekaderd door de GI en er staat onjuiste informatie in de stukken van de GI. De moeder wil graag dat er een goed, duidelijk plan met correcte informatie en concrete doelen wordt opgesteld door de GI.
De moeder heeft twijfels bij de inzet van PMT of muziektherapie. De GVA is dan namelijk nog niet klaar, dus het is dan diagnose-loos behandelen, op algemene uitgangspunten. De moeder heeft aangestuurd op de GVA om tot een passende behandeling te komen.
De inzet van de MST-CAN is ook nog onduidelijk. [minderjarige] woont namelijk niet thuis en de moeder heeft tijdens de intake begrepen dat het dan niet ingezet kan worden. Bovendien is onduidelijk of de vader mee gaat werken. Als hij niet meewerkt, gaat het niet door. Er is geen alternatief bedacht door de GI. Als MST-CAN wordt ingezet is dit voor maximaal negen maanden. De moeder vreest dat als er nu al mee wordt gestart er geen inzet meer is als [minderjarige] weer volledig bij de moeder komt wonen. De moeder wil duidelijkheid over de inzet van MST-CAN.
Als vader niet meewerkt aan de hulpverlening voor [minderjarige] , dan moet er door de GI gekeken worden naar andere maatregelen, bijvoorbeeld over het gezag van de vader. De moeder vindt het daarnaast zorgelijk dat [minderjarige] nog steeds onbegeleide omgang met de vader heeft, terwijl de begeleide omgang in de beschikking van de rechtbank van juni 2025 is bepaald.
De moeder verwacht dat drie maanden gesloten jeugdhulp te kort zal zijn om de doelen te bereiken. Zij is het daarom eens met een machtiging van zes maanden.
4.2.
[minderjarige] heeft aangegeven dat het nog nodig is dat ze nog langer gesloten geplaatst blijft. Ze is er nog niet klaar voor om bij één van haar ouders te gaan wonen. In het verzoek staat dat zij bij haar vader wil gaan wonen, maar dat klopt niet. Ze is een ‘papa’s kindje’, maar wil bij haar moeder gaan wonen. Als ze weer goed terug wil komen en het geleerde in de praktijk wil brengen, dan moet ze naar haar moeder toe. Ze vindt dat de GI in de afgelopen maanden niet genoeg heeft gedaan. Ze heeft dit jaar al op dertien plekken verbleven. Ze wordt telkens uit een situatie gehaald en op een volgende plek gezet zonder echt hulp te krijgen. Er wordt haar niet geleerd hoe ze het anders moet doen. Ze heeft wel ervaringsleer, maar dat vindt ze niet echt een behandeling. Ze is er klaar voor om nu echt een behandeling te krijgen. [jeugdzorg] zou hebben geregeld dat ze PMT of muziektherapie gaat krijgen.
[minderjarige] gaat oefenen met vrijheden. Ze mag nu een uur per dag begeleid op haar mobiel. En ze mag vanaf november op verlof bij haar moeder. Haar vader komt elke zondag op bezoek. Ze was eerst heel boos over de uitspraak van de rechter over de begeleide omgang. De groepsbegeleiding begeleidt nu de omgang. Het gaat wel goed tussen haar en haar vader. Ze realiseert zich dat haar vader niet gaat veranderen.
Ze kan goed overweg met haar mentor. Ze ziet heftige dingen gebeuren met de andere kinderen op haar groep, maar dat gebeurt bij haar niet. Ze wil eigenlijk naar een andere school. Ze zat op havo-vwo-niveau, maar volgt nu speciaal onderwijs vmbo-kader. Als ze zegt dat ze niet gaat werken, dan vinden de leraren dat oké. [minderjarige] vindt dat niet goed. Ze wil meer aangesproken worden.
[minderjarige] heeft ten slotte aangegeven dat ze het niet fijn vindt als ze na drie maanden hoort dat ze weer langer moet blijven. Ze heeft dan liever dat er nu een langere machtiging wordt gegeven en dat ze het dan hoort als ze echt naar huis mag.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
5.2.
Zoals door de GI, de moeder, de onafhankelijke gedragswetenschapper en ook door [minderjarige] zelf aangegeven kan alleen binnen het gesloten kader worden voorkomen dat [minderjarige] zich opnieuw onttrekt of door anderen wordt meegetrokken in risicovol gedrag en onveilige situaties. De kinderrechter vindt het knap van [minderjarige] dat zij zich dit realiseert en aangeeft dat er nu geen andere keuze is dan nog in de gesloten accommodatie te verblijven, omdat ze nog niet sterk genoeg is om zelfstandig met haar problemen om te gaan.
5.3.
De kinderrechter zal de GI machtigen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.
5.4.
De onafhankelijke gedragswetenschapper heeft in de instemmingsverklaring van 22 september 2025 aangegeven in te stemmen met deze machtiging voor de duur van drie maanden. De gedragswetenschapper geeft daarover aan dat deze termijn voldoende zou zijn om stabilisatie voort te zetten en te werken aan vervolgstappen richting een meer open setting, omdat [minderjarige] een groei laat zien in zelfreflectie. Een langere termijn kan haar ontmoedigen. In lijn met de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 27 augustus 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:5321) overweegt de kinderrechter dat de gedragswetenschapper de taak heeft om te toetsen of de jeugdige voldoet aan de criteria voor een machtiging en niet toetst voor welke termijn een machtiging zou moeten worden verleend. De kinderrechter vindt de termijn die de gedragswetenschapper adviseert wel leidend, maar kan hier in het belang van het kind van afwijken. De kinderrechter acht een beperking van de termijn tot drie maanden niet in het belang van [minderjarige] . Deze termijn is naar het oordeel van de kinderrechter namelijk in dit geval te kort en niet realistisch. [minderjarige] heeft uitdrukkelijk zelf aangegeven dat ze het niet prettig vindt als zij over drie maanden weer hoort dat ze nog langer gesloten moet blijven, terwijl zij ook al het inzicht heeft dat drie maanden te kort zal zijn. De GI en de moeder hebben ook aangegeven dat een langere termijn dan drie maanden nodig zal zijn. De aandacht dient uit te gaan naar de behandeling van [minderjarige] en in het systeem en niet naar een tussentijdse zitting. Bovendien heeft de GI de mogelijkheid om de plaatsing tussendoor te beëindigen als [minderjarige] wel klaar is voor de volgende stap. De kinderrechter zal daarom de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlenen tot 17 april 2026.
5.5.
Dat neemt niet weg dat de gesloten plaatsing van [minderjarige] , vooral gezien haar jonge leeftijd van dertien jaar, zo kort mogelijk moet duren. De periode van observatie en stabilisatie is afgerond. [minderjarige] heeft ook zelf benoemd dat zij klaar is voor een behandeling. Zij is hiervoor gemotiveerd en het is zeer belangrijk dat met de nodige voortvarendheid de behandeling wordt ingezet. Daarvoor is de GVA belangrijk. En er moet op korte termijn duidelijkheid komen of de MST-CAN (al) kan worden ingezet bij de moeder thuis. Naar de kinderrechter begrijpt is hiervoor de instemming en medewerking van de vader mede bepalend. De GI heeft wekelijks contact met de vader hiervoor, maar het is ook aan de GI om de nodige stappen tegen de vader te ondernemen als hij niet of onvoldoende meewerkt. Daarnaast is het ook aan de GI om al met een alternatief plan te komen als de MST-CAN en/of GVA (door welke reden dan ook) niet doorgaat. Het is immers niet in het belang van [minderjarige] als zij hierop moet wachten en de gesloten jeugdhulp is hier ook uitdrukkelijk niet voor bedoeld. Tenslotte is het ook aan de GI dat de door de rechtbank bepaalde begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader op deze wijze plaatsvindt. Er kan daarmee ook meer zicht komen op hun onderlinge verhouding en het handelen van de vader. Kortom, de GI moet proactief aan de slag. Er is behoefte aan een voortvarendere regievoering door de GI op alle facetten rondom [minderjarige] . Ten aanzien van het punt van de moeder over de incorrecte weergave van zaken in het verslag geeft de kinderrechter aan dat dit besproken moet worden tussen de GI en de moeder. Voor zowel de vader als de moeder merkt de kinderrechter nog op dat [minderjarige] wordt omringd door professionals en dat de ouders ook deze professionals de gelegenheid moeten geven om hun werk te doen en daarin vertrouwen te hebben en te tonen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 21 oktober 2025 tot 17 april 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 4 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).