Eiseres heeft op 27 maart 2025 een aanvraag ingediend bij het UWV voor herbeoordeling van een WIA-uitkering van een ex-werknemer. Het UWV ontving de aanvraag op 1 april 2025 en had uiterlijk 27 mei 2025 moeten beslissen. Omdat het UWV niet binnen deze termijn heeft beslist, stelde eiseres het UWV op 3 juni 2025 in gebreke. Na ontvangst van de ingebrekestelling op 5 juni 2025 verstreken twee weken zonder besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat het UWV alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen. Gezien de capaciteitsproblemen bij het UWV acht de rechtbank een termijn van vier maanden passend, ondanks het verzoek van eiseres voor een termijn van negen weken. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres, aangezien het beroep gegrond is verklaard. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 11 november 2025.